direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Uitbreiding begraafplaats
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0294.BP1605KOBEGRAAFUIT-OW01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het voorliggende bestemmingsplan betreft een initiatief van de gemeente Winterswijk. Aanleiding is een kenmerkende terugloop van het aantal begrafenissen op de algemene begraafplaats de afgelopen jaren. De kostendekkendheid van de algemene begraafplaats in Winterswijk is hiermee onder druk komen te staan.

In oktober 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders een uitvoeringsplan voor de algemene begraafplaats opgesteld. Doel is de uitstraling van de begraafplaats en de mogelijkheden voor begraven en asbijzettingen te versterken, zodat de begraafplaats ook in de toekomst een belangrijke rol blijft spelen in het gedenken van overledenen in Winterswijk.

Belangrijke maatregelen zijn het uitbreiden van het aanbod van asbestemmingsmogelijkheden, versoepelen van regelgeving en inspelen op nieuwe trends en ontwikkelingen op het gebied van begraven en bijzetten van as. De gemeente wenst om die reden de begraafplaats uit te breiden en islamitisch begraven en natuurbegraven mogelijk te maken. Het natuurbegraven voorziet tevens in een urnenveld, waar het mogelijk is (verteerbare) urnen te begraven.

Het gaat dus enerzijds om ingrepen op de bestaande begraafplaats en anderzijds om een uitbreiding van de begraafplaats. De beoogde gronden voor de uitbreiding hebben in het geldende bestemmingsplan Kom Winterswijk 2011 de bestemming Groen, het begraven is hiermee in strijd. Een partiële herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk om de gewenste uitbreiding realiseren.

Voorliggend bestemmingsplan maakt de uitbreiding van de begraafplaats planologisch-juridisch mogelijk; dat wil zeggen het regelt wat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. Concreet wordt de bestemming Groen gewijzigd naar de bestemming Maatschappelijk of op de daarvoor aangewezen locatie aangeduid als natuurbegraafplaats.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied betreft de algemene begraafplaats van Winterswijk, gelegen in de bebouwde kom van Winterswijk ten noordoosten van het centrum. De uitbreiding vindt plaats in de noordoostelijke hoek van de begraafplaats, gesitueerd tussen de P.J. Oudlaan (noordzijde) en Merwedestraat (oostzijde). De omgeving is te kenmerken als woongebied. Op onderstaande afbeeldingen is in rood de ligging en vervolgens het plangebied globaal weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0294.BP1605KOBEGRAAFUIT-OW01_0001.jpg"

globale ligging plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0294.BP1605KOBEGRAAFUIT-OW01_0002.jpg"

plangebied bij benadering

1.3 Opbouw bestemmingsplan

Het bestemmingsplan 'Uitbreiding begraafplaats' bestaat uit één verbeelding, regels en een toelichting. Van deze drie onderdelen vormen de digitale verbeelding met planIDN NL.IMRO.0294.BP1605KOBEGRAAFUIT-OW01 en de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.


Op de verbeelding zijn de bestemmingen gevisualiseerd. De regels geven weer wat de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en op te richten bebouwing is. De toelichting heeft hierbij weliswaar geen bindende werking, maar bevat wel de ruimtelijke onderbouwing van het bestemmingsplan. Het is daarmee de onderbouwing van de keuzes die zijn gemaakt voor de verbeelding en de
regels.

1.4 Geldende bestemmingsplan

De beoogde gronden voor de uitbreiding hebben in het geldende bestemmingsplan "Kom Winterswijk 2011" (vastgesteld op 28 november 2013) de bestemming 'Groen'. De met deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de digitale verbeelding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0294.BP1605KOBEGRAAFUIT-OW01_0003.jpg"

Uitsnede digitale verbeelding (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

 

Het perceel heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en 'Waarde - Archeologische verwachting 4', op basis waarvan de gronden mede zijn bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

1.5 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 5 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond voor wat betreft het hogere overheidsbeleid, milieuaspecten, water, archeologie, flora en fauna en economische uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 4 volgt de wijze van bestemmen, waarin uiteen wordt gezet hoe het in hoofdstuk 2 beschreven plan juridisch is vertaald naar de verbeelding en de regels. Ten slotte komen in het vijfde en laatste hoofdstuk de resultaten van de procedure aan de orde.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Huidige situatie

Het plangebied betreft een open terrein hoofdzakelijk bestaand uit grasland en omzoomd door heesters en boomvormers. Het terrein is niet openbaar toegankelijk. Een entree bevindt zich aan de P.J. Oudlaan en hier is een klein deel verhard voor stalling en opslag ten behoeve van het beheer van de begraafplaats (depot). De P.J. Oudlaan is een gebiedsontsluitingsweg en de Merwedestraat een erftoegangsweg, niet toegankelijk voor auto's. Op onderstaande afbeelding is het plangebied te zien vanaf de hoek P.J. Oudlaan/Merwedestraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0294.BP1605KOBEGRAAFUIT-OW01_0004.jpg"

Aangezicht plangebied hoek Merwedestraat/P.J. Oudlaan

2.2 Planbeschrijving

Het uitvoeringsplan (2015) behelst enerzijds een uitbreiding van het areaal van de begraafplaats in de vorm van een Islamitische begraafplaats en een gedeelte voor natuur begraven. Anderzijds zijn er ingrepen op de bestaande begraafplaats nodig om de aantrekkingskracht te vergroten. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de benodigde planologische regeling voor de uitbreiding, maar in de planbeschrijving wordt het plan integraal beschreven.

De begraafplaats moet de uitstraling krijgen van een gedenkpark met een intiemere sfeer en zit- en verblijfsplekken. Ook het gedeelte van de begraafplaats waar kinderen en jongeren worden begraven moet aantrekkelijker worden heringericht. Doordat steeds meer mensen er voor kiezen om gecremeerd te worden in plaats van te worden begraven is de behoefte aan een grote diversiteit aan urnenplekken groot. Naast uitbreiding zal ook binnen de bestaande begraafplaats hiervoor ruimte moeten worden gevonden.

Om de wensen van de gemeente Winterswijk, begrafenisondernemers uit de regio en de initiatiefnemers van de Islamitische begraafplaats op een goede wijze te integreren binnen de begraafplaats en de uitbreiding is een eerste verkenning gedaan in de vorm van een schetsontwerp. Bijlage 1 bevat het bijbehorende uitbreidings- en herinrichtingsplan dat voor de begraafplaats in november 2017 is opgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0294.BP1605KOBEGRAAFUIT-OW01_0005.jpg"

Eindbeeld uitbreiding begraafplaats

Verweving oud en nieuw

De uitbreiding van de begraafplaats vindt plaats aan de oostzijde van de bestaande begraafplaats. De bestaande oost-west georiënteerde wandelpaden van de uitbreiding uit de jaren '60 worden doorgetrokken over de gehele uitbreiding. Langs de padenstructuur staat een boomstructuur die aansluit op de boomstructuur van de bestaande begraafplaats. De verweving tussen oud en nieuw is daardoor direct sterk en verloopt op natuurlijke wijze. Aan het einde van de formele paden is ruimte voor een monument, kunstwerk of gedenkplek.

De uitbreiding behelst één uitleg met een uniforme parkachtige basis. Op detail wordt het onderscheid gemaakt tussen de natuurbegraafplaats en de Islamitische begraafplaats vormgegeven. De uitbreiding krijgt een parkachtige uitstraling met een parkachtige padenstructuur. Deze padenstructuur sluit aan op zowel het noordelijke deel als het zuidelijke deel van de uitbreiding waardoor het maken van een 'ommetje' mogelijk is. Hiermee draagt de uitbreiding van de begraafplaats bij aan de uitstraling van de begraafplaats als gedenkpark.

De uitbreiding van de begraafplaats

De nieuwe uitbreiding wordt een eigentijdse aanvulling op het gedenkpark en zal worden vormgegeven als één parkstructuur zodat dit als eenheid wordt toegevoegd aan de bestaande begraafplaats. Het is belangrijk dat deze nieuwe parkstructuur goed aansluit bij de bestaande begraafplaats en daar onlosmakelijk een onderdeel vanuit maakt. De uitbreiding wordt door drie elementen verweven met de formele structuur van de uitbreiding uit de jaren '60:

  • Het doortrekken van de padenstructuur vanuit de bestaande begraafplaats inclusief bestaande boomstructuur over de bestaande weide;
  • Het doortrekken van de padenstructuur vanuit de bestaande begraafplaats tot halverwege het bestaande bos;
  • De bestaande boomstructuur die van noord naar zuid over de uitbreiding loopt.

De nieuwe organisch vormgegeven padenstructuur krijgt een zandkleurige halfverharding en onderscheid zich daarmee van de formele paden die zijn uitgevoerd in zwart asfalt.

De Islamitische begraafplaats maakt onlosmakelijk onderdeel uit van de parkstructuur en wordt op subtiele wijze onderscheiden van de rest van de begraafplaats door een lage haag met daarbij een laag stalen hekwerk met Arabisch motief. Aan de noordzijde ligt een centrale plek voor water. Vanuit deze plek loopt een bijzonder vormgegeven lijn dwars over de begraafplaats. Deze lijn vormt de Qibla, de richting van Mekka. Haaks op de Qibla liggen de graven in een eenvoudige boomweide. Aan de noordzijde is een mogelijkheid voor een kleine parkeerplek voor mindervaliden. Hiervoor wordt het bestaande depot verplaatst. Hiervan is sprake in de eindsituatie, het plan voorziet namelijk in een fasering. Zie onderstaande afbeelding. De fasering houdt in dat eerst fase 1 in gebruik wordt genomen. Wanneer op enig moment meer ruimte gewenst is, zal fase 2 worden gerealiseerd. De entree aan de noordzijde wijzigt niet en behoudt zijn informele karakter. De bestaande hoofdingang aan de Kerkhoflaan blijft de primaire entree. Voor uitwerkingsregels in de planregels is geen aanleiding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0294.BP1605KOBEGRAAFUIT-OW01_0006.jpg"

De natuurbegraafplaats bestaat uit twee onderdelen; het bos en een open weide direct ten noorden daarvan. Het bos is laaggelegen en kan dienen als locatie voor diverse urnenplekken. Binnen dit deelgebied kan niet worden begraven door de hoge grondwaterstand. Het betrekken van dit bosgebied bij de uitbreiding is essentieel voor zowel het natuurbegraaf deel als de uitstraling van de begraafplaats als gedenkpark. De weide ten noorden van het bosgebied is hoger gelegen. Hierdoor kan dit deel worden ingezet voor begraven. Eventuele gedenkvoorzieningen zijn kleinschalig en altijd uitgevoerd in een natuurlijk (afbreekbaar) materiaal. De op basis van de wet verplichte registratie van graven vindt plaats door middel van een administratie van x-y coördinaten. Het weidegedeelte wordt natuurlijk vormgegeven door de padenstructuur en de soortkeuze van beplantingen en materialen. Het maaibeheer zal extensief zijn en gericht op de ontwikkeling van een bloemrijk grasland.

Gedenkpark

Om de bestaande begraafplaats de uitstraling van een gedenkpark te geven zijn een aantal ingrediënten belangrijk. Op de begraafplaats liggen oost-west georiënteerde paden en noord-zuid georiënteerde paden. De oost-west georiënteerde paden blijven de formele paden en blijven bestaan uit een asfalt pad met daarlangs een breed gazon met een boomstructuur. De noord-zuid georiënteerde paden worden ingericht met vaste planten of lage heesters met veel bloei. Op deze manier blijft de formele structuur behouden, maar wordt verzacht door een parkachtige interventie.

Het baarhuisje vormt het visuele hart van de oude begraafplaats en moet daarom behouden blijven. Wanneer het baarhuisje weer een functie krijgt binnen de begraafplaats zal de directe omgeving weer aantrekkelijk worden. Op dit moment is dit deel van de begraafplaats onaantrekkelijk om te verblijven. De omvorming van het interieur tot een besloten urnenplaats is een kans om nader te verkennen. Wanneer het baarhuisje een dergelijke invulling krijgt kan daarbij op het voorplein een kleinschalige maar intieme ontmoetingsplek worden gerealiseerd.

De gehele zone van de kinderbegraafplaats wordt opnieuw ingericht als 'luchtige' ruimte met plek voor intieme kinderbegraafplekken en per segment een verblijfsplek. Het 'monument voor het voor het verloren kind' en de wens voor een jongerenverblijfsplek worden aan deze zone gekoppeld en krijgen daarmee meer betekenis en verblijfswaarde.

Doordat er steeds minder wordt begraven en steeds meer wordt gecremeerd neemt de vraag voor diverse urnenplekken toe. Binnen de bestaande begraafplaats zijn diverse plekken geschikt voor een invulling als urnenplek. Het gaat daarbij om de zone langs de zuidgrens van het oudste gedeelte, de omgeving van het baarhuisje en de locatie in de noordwesthoek van de begraafplaats. Deze locaties kunnen direct worden ingezet als urnenplek.

Om de uitstraling van de begraafplaats als gedenkpark te versterken zijn er een aantal maatregelen wenselijk ten aanzien van de groene ruimte en het meubilair:

  • De zone tussen de kinderbegraafplaats en de oude begraafplaats is een rommelige overgangszone. In deze zone ligt de focus op minder verrommeling, een uniforme materialisering en structuur en rust door sobere en robuuste beplanting.
  • De zuidkant van de oude begraafplaats is zeer open doordat oude bomen zijn omgewaaid door een storm. Op deze plek moet ingezet worden op de aanplant van een groene wand bestaande uit gecultiveerde boomsoorten van de 1e grootte.
  • Op de begraafplaats staan veel oude bomen waaraan de begraafplaats haar monumentale karakter leent. Het bomenbestand staat er redelijk goed bij op dit moment, maar op korte termijn zal pleksgewijs verval in het bomenbestand optreden. Plant gecultiveerde solitaire bomen of kleine boomgroepen aan op plekken waar dit technisch mogelijk is. Zo blijft het monumentale groene karakter van de begraafplaats overeind.

Zitmeubilair, afvalbakken en watertappunten bestaan op dit moment uit allerlei soorten kleuren en materialen. Door hier eenduidigheid in aan te brengen wordt de beeldkwaliteit verhoogd. Voorgesteld is om meubilair toe te passen met een monumentaal karakter, warmte uitstraalt, comfortabel is en daardoor uitnodigt om op te zitten.

Hoofdstuk 3 Haalbaarheid van het plan

3.1 Beleid

3.1.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen van het kabinet voor ruimte en mobiliteit. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd:

  • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat;
  • de bereikbaarheid verbeteren;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Provincies en gemeenten hebben in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden gekregen. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Uit de SVIR volgen geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden voor de beoogde ontwikkeling.

Wet op de lijkbezorging

De Wet op de lijkbezorging geeft het juridische kader waarbinnen lijkbezorging dient plaats te vinden. Ten aanzien van begraafplaatsen kent de wet bepalingen met betrekking tot de plaatsen waar mag worden begraven, de rechten en plichten ten aanzien van begraven, de ruiming van graven etc. De wet schrijft voor dat een register wordt bijgehouden met de begraven lijken en een nauwkeurige aanduiding van de plaats waar zij begraven zijn.

Het Besluit op de lijkbezorging (4 december 1997) regelt onder meer de wijze van begraven en de inrichting van het graf. Zo regelt dit besluit dat bij het begraven geen gebruik mag worden gemaakt van kunststof of metalen omhulsel. Voor de inrichting van een graf wordt aangegeven dat er zich minimaal 65 centimeter grond boven op de kist of het omhulsel moet bevinden. De afstand tussen de kisten bedraagt minimaal 30 centimeter. Tevens zal de kist of het omhulsel zich 30 centimeter boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand moeten begeven.

Sinds in 2010 de taakverantwoordelijkheid bij de VROM-inspectie is verdwenen zijn diverse richtlijnen door de Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen in handboeken zoals het Handboek Begraven en Begraafplaatsen opgenomen. Hoewel dit geen wet en regelgeving is, is het zaak in de ruimtelijke ordening ervoor te zorgen dat begraafplaatsen en naastgelegen bestemmingen elkaar zo min mogelijk nadelig beïnvloeden. Om dit te bewerkstelligen, zou ernaar moeten worden gestreefd dat eventuele geluidhinder niet meer bedraagt dan 45 dB(A). Ten aanzien van de effecten van de begraafplaats op de omgeving dient een visuele scheiding te worden gecreëerd voor privacy op en buiten de begraafplaats. Op grond van deze richtlijnen wordt geadviseerd een afstand van 20 meter à 30 meter tussen de begraafplaats en de nabije woningen in acht te nemen. Zie verder paragraaf 3.2.2.

3.1.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gelderland

Op 9 juli 2014 (geactualiseerd op 8 juli, 11 november 2015 en 13 december 2017) heeft de provincie Gelderland de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. Met de Omgevingsvisie kiest de provincie voor een gezamenlijke aanpak met gemeenten, maatschappelijke organisaties, ondernemers en particulieren van de maatschappelijke opgaven voor de komende vijf à tien jaar. Hierbij staan twee hoofddoelen centraal:

  • een duurzame economische structuur;
  • het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

De provinciale hoofddoelen zijn in vertaald in provinciale ambities. Per ambitie is de aanpak op hoofdlijnen beschreven. De nadere invulling vindt plaats via provinciale uitvoeringsprogramma's en samenwerking met partners. Ten aanzien van begraafplaatsen zijn er geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden in de omgevingsvisie opgenomen.

Omgevingsverordening Gelderland

Op 24 september 2014 (geactualiseerd op 8 juli, 11 november 2015 en 13 december 2017) heeft de provincie Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. In de Omgevingsverordening zijn regels (randvoorwaarden) opgenomen passend bij de provinciale aanpak van ambities en doelen uit de Omgevingsvisie. In de Omgevingsverordening zijn ten aanzien van begraafplaatsen geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden opgenomen.

3.1.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Kom Winterswijk 2010-2020

De structuurvisie Kom Winterswijk 2010-2020 is op 24 februari 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. De Structuurvisie richt zich op het verbeteren van de drie kernkwaliteiten van de gemeente, te weten:

  • realiseren van een betere woonomgeving in Winterswijk;
  • zorgen voor een aantrekkelijk en concurrerend hart met voorzieningen;
  • het verbinden van de kwaliteiten van de kern en haar buitengebied.

Om invulling te geven aan deze kernkwaliteiten wil de gemeente ruimte creëren voor een:

  • meer ontspannen en groene woonomgeving;
  • een veilige bereikbaarheid van wijken en voorzieningen;
  • passende werkgelegenheid;
  • gezonde mix van functies in het centrum;
  • groene hoofdstructuur met hoge ecologische en maatschappelijke kwaliteiten.

De nieuwe begraafplaats is als uitbreiding op de bestaande begraafplaats functioneel inpasbaar en in lijn met de doelstellingen van de strucuurvisie.

Groenstructuurplan 2010

Het Groenstructuurplan is op 28 april 2011 vastgesteld. In dit plan is onder andere de hoofdgroenstructuur en de wijkgroenstructuur weergegeven. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de bij het structuurplan behorende kaart weergegeven. Het plangebied is gekenmerkt als hoofdgroenstructuur met de aanduidingen ecologisch groen en landschappelijk groen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0294.BP1605KOBEGRAAFUIT-OW01_0007.jpg"

Uitsnede kaart behorende bij het Groenstructuurplan

Met de uitbreiding van de begraafplaats ten behoeve van islamitisch en natuurbegraven wijzigt het karakter van de groenstructuur in beperkte mate. Landschappelijk is een natuurbegraafplaats in de eerste plaats een stuk bos of natuurgebied en in de tweede plaats een begraafplaats. Het islamitische deel is landschappelijk te beschouwen als een uitbreiding van de bestaande begraafplaats, dat met haar parkstructuur een waardevol groenelement is. De landschappelijke en ecologische kwaliteit van het gebied blijft met voorgestane ontwikkeling behouden.

3.2 Milieuaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving zijn opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

3.2.1 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.

De ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van gebouwen en ook niet in functies waarbij mensen meer dan twee uur per dag structureel aanwezig zijn. Bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit ter plaatse is niet eerder met bodemonderzoek vastgesteld. Uit een uitgevoerde inventarisatie geeft echter geen aanleiding om een noemenswaardige bodemverontreiniging te verwachten. Op basis van de beschikbare informatie is aannemelijk dat de bodem ter plaatse geschikt is voor het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

Uit het Alterra-rapport 'Terug naar de Natuur' uit 2009 blijkt dat het vergaan van het dode lichaam geen significant effect op de bodem en het bodemleven veroorzaakt. In dit rapport is een aantal theoretische studies beschreven waarin effecten van metalen, eutrofiërende stoffen, organische zuren en afbraakproducten, medische stoffen en stoffen als kwik op afzonderlijke milieuonderdelen onderzocht zijn. Het begraven zal niet leiden tot overschrijdingen van de milieunormen voor de bodem.

Voor een begraafplaats is primair de Wet op de lijkbezorging en het Besluit op de lijkbezorging van toepassing. Deze voorziet in afdoende maatregelen om significante milieueffecten te voorkomen of te beperken. De Wet op de lijkbezorging is afgestemd op reguliere vormen van begraven. Bij natuurbegraven wordt uitgegaan van een veel lagere grafdichtheid. Verder zal bij het natuurbegraven alleen gebruik worden gemaakt van makkelijk afbreekbare en niet schadelijke materialen voor de kist/het omhulsel. Effecten op de bodem zullen daarom verwaarloosbaar zijn. De belangrijkste voorwaarden gericht op behoud van de bodemkwaliteit hebben betrekking op het aspect water. Hierop wordt in paragraaf 3.3.4 ingegaan.

3.2.2 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 toegepast. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

Voor een begraafplaats geldt een richtafstand van 10 meter (geluid). Hierbinnen bevinden zich geen gevoelige functies zoals woningen. Vanuit het oogpunt van milieuzonering is er geen negatieve invloed op de omgeving, of is hinder van bestaande functies in de omgeving te verwachten. Zoals in paragraaf 3.1.1 is beschreven wordt voor begraafplaatsen vaak een grotere afstand aangehouden tot omliggende functies, te weten tenminste 20 meter ten opzichte van omliggende woningen. Dit heeft niet zozeer te maken met het garanderen van een goed woon- en leefklimaat, maar meer het zorgen c.q. veiligstellen van voldoende rust en privacy óp de begraafplaats. Tevens is in dit kader een groene omzoming ter afscherming gewenst, waardoor in sommige gevallen een kleinere afstand dan 20 meter ook acceptabel is. In voorliggend plan is de afstand tot omliggende woningen circa 30 meter (zijde Merwerdestraat) en circa 50 meter (zijde P.J. Oudlaan). De groene omzoming biedt visueel voldoende afscherming. Het plan is acceptabel in het kader van milieuzonering.

3.2.3 Geluid

De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
    • 1. een verzorgingstehuis;
    • 2. een psychiatrische inrichting;
    • 3. een kinderdagverblijf.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wgh worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen.

De ontwikkeling voorziet niet in een geluidgevoelige bestemming, een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is op een begraafplaats, zoals in paragraaf 3.1.1 is gesteld, uit piëteit een maximaal geluidniveau van 45 dB(A) gewenst. De P.J. Oudlaan is gelet op wegverkeerslawaai een relatief rustige gebiedsontsluitingweg met een maximum snelheid van 50 km/uur. Gelet op de afstand van meer dan 60 meter tot deze weg is een geluidniveau van minder dan 45 dB(A) aannemelijk.

Afhankelijk van het ritueel gebruik kan bij sommige islamitische begrafenissen sprake zijn van gezang en/of stemgeluid. Op basis van het Activiteitenbesluit mag stemgeluid van bezoekers op een open terrein in principe buiten beschouwing worden gelaten. Stemgeluid is in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter wel relevant, omdat een goed woon- en leefklimaat moet zijn gegarandeerd. De woonbebouwing (overzijde P.J. Oudlaan) ligt op circa 50 meter van de voor de islamitische begraafplaats gereserveerde gronden. De woonbebouwing (zijde Merwedestraat) ligt op circa 30 meter van deze gronden. In onderhavig geval gaat het om een relatief kleinschalige voorziening, waar naar verwachting een beperkt aantal begrafenissen op jaarbasis plaatsvinden. Een begrafenis vindt alleen plaats gedurende de dagperiode. Naar verwachting leidt een begrafenis niet tot een onaanvaardbare hinder bij onwonenden. Mede gelet op de in paragraaf 3.2.2 genoemde richtafstanden is een akoestisch onderzoek niet nodig. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

3.2.4 Lucht

De Wet milieubeheer biedt het kader om te toetsen aan luchtkwaliteitseisen. Een uitzondering op deze verplichting om de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen op de luchtkwaliteit mee te wegen, vormen bepaalde typen projecten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het begrip NIBM is uitgewerkt in het "Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)", en de bijbehorende "Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)".

Een plan draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging wanneer aannemelijk is (door berekening of motivering) dat de "3% grens" niet wordt overschreden. Deze grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1.2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. De Regeling NIBM geeft voor een aantal categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen een invulling aan de NIBM grens. Indien er binnen de getalsmatige begrenzing van de Regeling wordt gebleven, is er geen nader onderzoek nodig. Bij de ruimtelijke ontwikkeling is er dan automatisch sprake van een niet in betekende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit.

Met de ontwikkeling nemen het aantal verkeersbewegingen beperkt toe. Ter illustratie zou bij een weekdaggemiddelde van meer dan 1.200 voertuigen sprake kunnen zijn van een in betekenende bijdrage luchtverontreiniging. Dit plan is aan te merken als een project dat ‘niet in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging’. Toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit kan achterwege blijven.

Op basis van het bovenstaande is geen nader onderzoek nodig, het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Daarnaast blijkt uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit (https://www.nsl-monitoring.nl/viewer) dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

3.2.5 Externe Veiligheid

Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijk slachtoffers, dit is respectievelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten.

Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.

Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel wordt geacht, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden.

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi, stb. 250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld. De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen.


In het kader van goede ruimtelijke ordening is inzichtelijk gemaakt of er risicofactoren in of in de nabijheid van het plangebied liggen. Op basis van de risicokaart Nederland bevinden zich ten aanzien van het plaatsgebonden risico in de directe omgeving van het plangebied geen stationaire of mobiele bronnen. Gelet op het karakter van het plan kan ook een verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. Nader onderzoek voor externe veiligheid is niet noodzakelijk. Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

3.3 Omgevingsaspecten

3.3.1 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Dit aspect is geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Archeologie

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Om deze reden zijn alle gronden in Winterswijk geïnventariseerd en beoordeeld op mogelijk aanwezige archeologische relicten. Er worden 4 waarden onderscheiden, iedere categorie kent een eigen verwachting op vondsten, waarbij 1 de hoogste verwachtingswaarde is en 4 de laagste.


In het geldende bestemmingsplan is in het plangebied een dubbelbestemming met een verwachtingswaarde 3 voor de bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden opgenomen. De kans op het aantreffen van intacte vindplaatsen en goed geconserveerde archeologische resten is derhalve klein. Vindplaatsen in deze gebieden nemen vaak een groot areaal in beslag waardoor kleine ingrepen (zowel in diepte als in oppervlakte) acceptabel worden geacht. Kleine ingrepen zijn in het gemeentelijk beleid gedefinieerd als projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m2 of verstoringen niet dieper dan 30 cm. Hiervoor is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Het archeologisch beleid is vertaald naar de regels van dit bestemmingsplan. Op basis van die regels worden toekomstige ingrepen zoals bouwen en graafwerkzaamheden beoordeeld op hun invloed op eventuele archeologische waarden. Indien nodig zal hierbij onderzoek moeten worden uitgevoerd.

3.3.2 Flora en fauna

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.


Gebiedsbescherming

De Wet Natuurbescherming (Wnb) richt zich op de bescherming van gebieden. In de Wnb zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:

  • Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
  • beschermde Natuurmonumenten;
  • wetlands.

Naast deze drie soorten gebieden is in het kader van de gebiedsbescherming het Nationaal Natuurnetwerk van belang. Dit is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones die tussen de natuurgebieden liggen. Het natuurnetwerk draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

In het plangebied is geen beschermde natuur aanwezig. Op minder dan 3 kilometer van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Gezien de geografische afstand tot deze gebieden en gronden, de ligging van het plangebied in de bebouwde kom en de beperkte wijziging van de functie, zijn er geen negatieve effecten op beschermde gebieden te verwachten. Een vergunning in het kader van de Wnb is niet noodzakelijk.

Soortenbescherming

De bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren (de soortenbescherming) is ook vastgelegd in de Wnb. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.


In het kader van soortenbescherming is beoordeeld of het plan rechtstreeks kan leiden tot verstoring of vernietiging van bepaalde beschermde soorten of hun leefgebied. zoals verontrusting van soorten of het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen (bijvoorbeeld nestlocaties, kraamverblijven). Gezien het feit dat de ruimtelijke inrichting van het gebied in stand blijft, is het niet aannemelijk dat bepaalde beschermde soorten of hun leefgebied worden verstoord of vernietigd.

Er zijn op voorhand geen aanwijzingen dat de beoogde ontwikkeling conflicterend is met geldende wetgeving. Een ontheffing is niet noodzakelijk. Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

3.3.3 Verkeer

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersstructuur inzichtelijk te worden gemaakt. Het plan voorziet in een uitbreiding van de begraafplaats. Het verkeer ten behoeve van deze functie kan zonder verkeerskundige maatregelen worden afgewikkeld op de bestaande parkeervoorziening en omliggende wegenstructuur. Het aspect verkeer belemmert de uitvoering van dit plan niet.

3.3.4 Water

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting afzonderlijk te worden aangegeven wat de gevolgen zijn van het plan voor de waterhuishouding. Om waterbeheer en ruimtelijke ordening goed op elkaar af te stemmen is de watertoets ontwikkeld. Deze watertoets stelt de randvoorwaarden voor ruimtelijke en/of stedenbouwkundige aanpassingen in relatie tot het oppervlakte- en grondwater in het plangebied en de directe omgeving. Zo dient bij de aanleg van nieuw verhard oppervlak o.a. inzicht geboden te worden hoe wordt omgegaan met de opvang van hemelwater.

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde en duurzame watersystemen. Het Waterschap Rijn en IJssel laat in het Waterbeheerplan 2016-2021 zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten het waterschap in de samenwerking met haar partners wil leggen. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden:

  • Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water.
  • Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water.
  • Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water.
  • Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater.

Voor het taakgebied Veilig water is bescherming tegen hoog water op de rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het taakgebied Voldoende water is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie "Vasthouden-Bergen-Afvoeren". Voor Schoon water is het uitgangspunt “stand still - step forward”. Essentieel is het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem met als einddoel een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Partnerschappen met gemeenten en andere partijen zorgen voor een effectieve en efficiënte (afval)waterketen. Door optimalisatie van de behandeling van afvalwater wordt een bijdrage geleverd aan een goede volksgezondheid en een schoon watersysteem. Het terugwinnen van energie en grondstoffen uit afvalwater draagt bij aan een meer circulaire economie.

Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Er is meer ruimte nodig voor het waterbeheer van de toekomst. Ook op andere terreinen, zoals recreatie, wonen en landbouw speelt water een centrale rol. Het waterschap wil in het watertoetsproces vroegtijdig meedenken over de rol van het water in de ruimtelijke ontwikkeling en wil samen met de gemeente op zoek naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.

Planspecifiek

Het plan betreft de ingebruikneming van een tot nu ongebruikt gedeelte van de gemeentelijke begraafplaats van circa 5.400 m2. Door het plan worden mogelijkheden voor natuurbegraven gerealiseerd. Fysiek blijft het terrein ongewijzigd en dus onverhard. Op de uitbreiding van de reguliere begraafplaats ten behoeve van islamitisch begraven kunnen grafzerken worden gebruikt. Gedenktekens op de natuurbegraafplaats zijn uitsluitend van natuurlijk afbreekbaar materiaal. De begrenzing van de uitbreiding wordt aan de oostzijde gevormd door het talud van een watergang van het waterschap. Vanuit het Besluit op de lijkbezorging worden eisen gesteld aan de drooglegging van het terrein. In onderstaande watertoetstabel zijn de relevante waterhuishoudkundige thema's inzichtelijk gemaakt.

Thema   Toetsvraag   Relevant   Intensiteit#  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?  
Nee

Nee  
2

2  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
2
1
1  
Wateroverlast (oppervlakte-water)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?  
Nee

Nee

N.v.t.
Nee  
2

1

1
1  
Oppervlakte-
waterkwaliteit  
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?
 
Nee
 
1  
Grondwater-
overlast  
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
3. Is in het plangebied sprake van kwel?
4. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?
5. Beoogt het plan aanleg van drainage?  
Nee

Nee
Nee
Nee  
1

1
1
1  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?   Nee   1  
Inrichting en beheer   1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Ja

Nee  
1

2  
Volksgezondheid
 
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee  
1

1  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee
Nee
Nee
Nee  
2
2
1
1  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee   1  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?  
Nee  

2  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee   1  

Wateroverlast (oppervlaktewater)

Het in gebruik te nemen terrein grenst aan oostzijde aan de bestaande begraafplaats. De begraafplaats is opgehoogd. De uitbreiding ligt op gelijke hoogte. Hemelwater op de bestaande begraafplaats en het nieuwe gedeelte infiltreert ter plaatse in de bodem. Aangezien de gemiddelde hoogste grondwaterstand op circa 2,5 m minus maaiveld ligt is geen drainage nodig en dus ook niet aanwezig.

Oppervlaktewater kwaliteit

Vanuit kwaliteitsoogpunt is de invloed op grond- en oppervlaktewaterkwaliteit, mits 30 cm afstand wordt aangehouden van de grafdiepte ten opzichte van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (conform besluit op de lijkbezorging) verwaarloosbaar. De maximale diepte van een graf is 1,50 m, vermeerderd met de minimale afstand tot het grondwater van 30 cm, betekend dat de graven ruim boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand blijven.

Inrichting en beheer

Aan de oostzijde van het perceel ligt een watergang van het waterschap. Aangezien hemelwater ter plaatse wordt geïnfiltreerd heeft het plan geen invloed op de watergang. Door de ingebruikneming wijzigt de terreinafbakening niet. Het terrein eindigt bij de insteek van het westelijke talud van de watergang en wordt gemarkeerd door een hekwerk. Onderhoud van de watergang en de taluds blijft ongewijzigd.

Uit de watertoets komt naar voren dat het plan geen waterhuishoudkundig belang treft. Voor het aspect water zijn geen aanvullende maatregelen of voorwaarden noodzakelijk en is er geen belemmering voor uitvoering van het plan.

3.4 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

In het voorliggende geval is de gemeente Winterswijk zelf de initiatiefnemer van het project. Kostenverhaal is daarmee niet aan de orde. De gemeente heeft een exploitatie opgesteld voor het project en stelt de benodigde gelden beschikbaar.

Hoofdstuk 4 Wijze van bestemmen

4.1 Algemeen

Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aan-gewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en
  • 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden).


Een bestemmingsplan regelt derhalve:

  • 1. het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen);

en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:

  • 2. het bebouwen van de gronden;
  • 3. het verrichten van werken (aanleggen).


Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook van toepassing voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid.

Opbouw van de regels

Het bestemmingsplan is conform de daaraan te stellen wettelijke eisen zoals vastgelegd in de Standaard voor Bestemmingsplannen 2012 opgesteld. De regels hebben een vaste opbouw en de hoofdstukken zijn als volgt verdeeld:

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen.

Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen.

Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo is een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, algemene gebruiksregels en algemene afwijkings- en wijzigingsregels.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

4.2 Dit bestemmingsplan

In paragraaf 1.3 is de opbouw van dit bestemmingsplan aan bod gekomen. De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen in de toelichting is beschreven. In deze paragraaf is als bedoeld in artikel 3.1.3. van het Besluit ruimtelijke ordening een beschrijving opgenomen van de bestemmingen die in het bestemmingsplan voorkomen.

In het kader van rechtszekerheid en leesbaarheid is aangesloten op de systematiek van het bestemmingsplan "Kom Winterswijk 2011" zoals dat van toepassing is op het omliggende woongebied.

Artikel 3 Groen

De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, beplanting, etc. In deze bestemming is een aanduiding opgenomen ten behoeve van begraven van (verteerbare) urnen. Gebouwen zijn niet toegestaan.

Artikel 4 Maatschappelijk

De voor Maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor een begraafplaats. De gronden aangeduid met natuurbegraafplaats zijn uitsluitend te gebruiken ten behoeve van natuurbegraven. Gebouwen zijn niet toegestaan.

Artikel 5 Waarde - Archeologische verwachting 2

In het plangebied liggen gebieden met een hoge en middelmatige archeologische verwachtingswaarde. Deze gronden zijn bestemd als 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Deze gebieden worden eveneens beschermd door middel van een verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoek bij de aanvraag van omgevingsvergunningen voor het bouwen en andere omgevingsvergunningen waarbij sprake is van bodemverstoringen. De onderzoeksplicht geldt vanaf 100 m2 bij omgevingsvergunning voor het bouwen en bij een aanlegactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is als de bodemverstoring groter is dan 100 m2 en dieper reikt dan 0,30 m minus het bestaande maaiveld.

Artikel 6 Waarde - Archeologische verwachting 4

In het plangebied liggen gebieden met een hoge en middelmatige archeologische verwachtingswaarde. Deze gronden zijn bestemd als 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Deze gebieden worden eveneens beschermd door middel van een verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoek bij de aanvraag van omgevingsvergunningen voor het bouwen en andere omgevingsvergunningen waarbij sprake is van bodemverstoringen. De onderzoeksplicht geldt vanaf 100 m2 bij omgevingsvergunning voor het bouwen en bij een aanlegactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is als de bodemverstoring groter is dan 100 m2 en dieper reikt dan 0,30 m minus het bestaande maaiveld.

Hoofdstuk 5 Procedure

5.1 Algemeen

Conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht ligt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage. Belanghebbenden kunnen dan een zienswijze indienen op het plan. Na vaststelling door burgemeester en wethouders ligt het bestemmingsplan opnieuw 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt in werking daags na afloop van de tervisielegging, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5.2 Verslag artikel 3.1.1. Bro overleg

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan geldt dat overleg moet worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het gaat dan tenminste om de betrokken waterschappen en diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk overleg niet toegezonden aan de Inspectie Leefomgeving & Transport.


Het ontwerpbestemmingsplan is in eerste instantie niet voorgelegd aan de provincie Gelderland, maar wordt na publicatie wel toegezonden. Bij brief van 22 oktober 2009 met kenmerk 2009-018420 van de provincie is bepaald dat indien het alleen een lokaal belang betreft, inzending van de stukken niet noodzakelijk is. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in relatief kleinschalige wijziging ten opzichte van de bestaande situatie en betreft alleen een lokaal belang. In paragraaf 3.1 is een toetsing aan het provinciaal beleid opgenomen, hieruit volgt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale ambities en doelstellingen.

Dit bestemmingsplan is voorgelegd aan het waterschap Rijn en IJssel. Zie voor een nadere onderbouwing de watertoets in paragraaf 3.3.4. Hieruit komt naar voren dat er geen waterhuishoudkundige belangen worden geschaad.

5.3 Verslag zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan ligt voor een periode van zes weken ter inzage. Gedurende deze termijn kan een ieder een zienswijze indienen. In geval van zienswijzen wordt de beantwoording hiervan in deze paragraaf opgenomen.