direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bedrijfsuitbreiding Ratumseweg 65a
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0294.BP1404BGRATUMSEW65-OW01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

Melkveebedrijf Familie Te Selle wil op de locatie Ratumseweg 65 in Winterswijk het bestaande bedrijf uitbreiden. Het gaat hierbij om het realiseren van een nieuwe stal voor melkvee. De bedrijfsvoering is in handen van vader en zoon. Vanwege de uitbreiding bestaat de wens om de zoon ook op het perceel te laten wonen. Dit zou betekenen dat een extra woning gerealiseerd dient te worden. Op dit moment zijn er twee bedrijfswoningen op het perceel aanwezig. De eigenaar van de gronden, die deze verpacht aan Te Selle, is ook woonachtig op het perceel.

Hierdoor ontstaat de situatie van een dubbel bewoond bestaande bedrijfswoning en de wens om een extra woning. Daarnaast is de nieuw te bouwen stal geprojecteerd buiten het bouwvlak. Ten slotte is een deel van het perceel ingericht als theetuin, dit is volgens het geldende bestemmingsplan door middel van een afwijkingsbevoegdheid toegestaan, maar hiervoor dient nog een procedure doorlopen te worden. De diverse ontwikkelingen zijn ruimtelijk niet onwenselijk. Een wijziging van de omvang en ligging van het bouwvlak is in principe mogelijk met een wijzigingsbevoegdheid. Een theetuin is mogelijk door middel van een afwijkingsbevoegdheid. Het realiseren van een derde woning is echter alleen mogelijk door een partiële herziening van het bestemmingsplan. Alle wensen zullen in één partiële herziening worden gevat, om zo de gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Winterswijk in het buurtschap Ratum op ongeveer 600 meter van de grens met Duitsland. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0294.BP1404BGRATUMSEW65-OW01_0001.jpg"  
bron: Google Earth  

1.3 Opbouw bestemmingsplan

Het bestemmingsplan is een bindend plan voor zowel overheid als burgers. In een bestemmingsplan wordt de bestemming, ofwel de functie van de grond aangewezen. Ook geeft het bestemmingsplan regels over de bouwmogelijkheden van gronden. Aanvragen om omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en planregels.


Toelichting

De toelichting wordt opgesteld overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de toelichting is het volgende opgenomen:

  • een verantwoording van de in het plan gemaakte keuzes van bestemmingen;
  • een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;
  • de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 Bro bedoelde overleg;
  • de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek;
  • een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken;
  • de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.


Omdat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is opgesteld, worden in de toelichting, conform artikel 3.1.6 lid 2 Bro, ten minste neergelegd:

  • een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden;
  • voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied;
  • een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken.


Verbeelding

De verbeelding, een kaart, geeft de bestemming van de grond aan met daarbij eventuele aanduidingen zoals bouwvlakken, maatvoeringen, etc. Door op de verbeelding te kijken is te zien welke bestemmingen en mogelijke aanduidingen er gelden. De verbeelding omvat de laatste afspraken over InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012.


Planregels

De planregels geven de gebruiksmogelijkheden aan van de grond en op welke wijze de gronden bebouwd mogen worden. In het vormgeven van de planregels wordt aangesloten bij de SVBP 2012.

1.4 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Op het perceel Ratumseweg 65/65a in Winterswijk is een melkveebedrijf gevestigd. Het perceel ligt in het buitengebied van de gemeente Winterswijk, op ca. 600 meter van de Nederlands-Duitse Grens. De omgeving is zeer landelijk en naast het agrarische bedrijf aan de Ratumseweg zijn daarnaast in de directe omgeving alleen enkele burgerwoningen gelegen.

Het bedrijf heeft in het geldende bestemmingsplan een Agrarische bestemming met bouwvlak met een omvang van ca. 1 ha. Binnen het bouwvlak zijn een melkveestal, kuilvoerplaten, een mestsilo en twee bedrijfswoningen aanwezig. In de bedrijfswoningen woont de ondernemer van het melkveebedrijf en de eigenaar van de grond (verpachter). Daarnaast staat op het perceel een oude schoppe die dienst doet als stal voor jongvee.

2.2 Toekomstige situatie

Het bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid het bedrijf in vierkante meters veel te laten toenemen. De wens om uit te breiden bestaat echter wel. Er is reeds milieuvergunning verleend voor uitbreiding van het aantal diertallen; voor het houden van 160 koeien en 70 stuks jongvee. Het plan is om in 2014 een omgevingsvergunning aan te vragen voor de bouw van een nieuwe (serre)stal voor genoemde aantallen. De productie van het bedrijf komt hiermee op 850 ton melk te liggen. Dit biedt werk voor 1,42 arbeidskrachten. De zoon die ook in het bedrijf zit woont op dit moment niet op het perceel. Dit is vanuit het perspectief van ondersteuning en bedrijfsopvolging echter wel wenselijk. Ondanks dat op het perceel twee bedrijfswoningen aanwezig zijn kan de zoon hier nog niet wonen, omdat de verpachter hier nog woont. Dit leidt tot een tijdelijke situatie dat drie woningen op het perceel wenselijk zijn. De verpachter is momenteel 73 jaar oud en verzorgt op het perceel nog enkele tientallen paarden. Zo lang de verpachter nog woonachtig is op het perceel zal een derde woongelegenheid worden toegestaan. Deze situatie zal echter niet permanent zijn. Het doel is op termijn twee wooneenheden op het perceel te hebben.

Aan de bestaande dubbel bewoonde bedrijfswoning zit nog een grote deel. Verbouw van deze deel is de beste optie om een nieuwe woning te realiseren. Op deze manier is geen extra bebouwing nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0294.BP1404BGRATUMSEW65-OW01_0002.jpg"

De oude situatie (links) en de gewenste toekomstige situatie (rechts)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Gebiedsgericht

De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.

In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee het SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend verankerd.

In de structuurvisie worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.

Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is "duurzame verstedelijking". Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder bestaand stedelijk gebied is wordt het volgende verstaan: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen.

3.1.2 AMvB Ruimte

De inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (afgekort Wro) op 1 juli 2008 heeft gevolgen voor de doorwerking van het nationale ruimtelijk beleid. Totdat de Wro in werking was getreden werd het geldende rijksbeleid vastgelegd in Planologische Kernbeslissingen (PKB's). Sinds 1 juli 2008 zijn deze alleen nog bindend voor het Rijk en niet meer voor andere overheden. Het Rijk kiest ervoor om het deel van het ruimtelijk beleid dat bedoeld is bindend te zijn voor andere overheden, ook onder de Wro te borgen. De Wro geeft daarvoor het Rijk de beschikking over het instrument Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB).

De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid waaraan bestemmingsplannen van gemeenten moeten voldoen. De AMvB geeft regels over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan de AMvB aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk kan het daarbij gaan om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies zoals natuur in de ecologische hoofdstructuur (EHS) of met het vrijwaren van functies, bijvoorbeeld kapitaalintensieve functies in gebieden waar rivierverruiming noodzakelijk is.

Planspecifiek

In het Rijksbeleid is opgenomen dat de gemeente Winterswijk een "Waardevol landschap" is. De nadere invulling van het beleid omtrent Waardevol landschap wordt overgelaten aan de Provincie. Verder is geen sprake van direct belang bij of rechtstreekse doorwerking op het plangebied. Het plan is niet in strijd met het geldende rijksbeleid.

Ladder duurzame verstedelijking

Dit plan voorziet niet in een stedelijke uitbreiding. De ladder duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale structuurvisie

Het streekplan Gelderland 2005 is door Provinciale Staten van Gelderland op 29 juni 2005 vastgesteld en geeft de beleidskaders aan voor de ruimtelijke ontwikkeling in de komende tien jaar. Dit streekplan voorziet in een integrale herziening van het vigerende ruimtelijke beleid van de provincie Gelderland (streekplan Gelderland 1996 en de daaropvolgende partiële herzieningen). Het plan is er op gericht de verschillende functies in regionaal verband een zodanige plek te geven dat de ruimtelijke kwaliteiten worden versterkt en er zuinig en zorgvuldig met de ruimte wordt omgegaan. Om de afstemming met regionale ontwikkelingen te optimaliseren is dit streekplan mede gebaseerd op regionale structuurvisies die zijn aangeleverd door de Gelderse regio's. Het streekplan schept kaders voor diverse uitwerkingen. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 heeft het Streekplan Gelderland 2005 de status van Structuurvisie gekregen. Dat betekent dat de inhoud van het streekplan voor de provincie de basis blijft voor haar eigen optreden in de ruimtelijke ordening.

afbeelding "i_NL.IMRO.0294.BP1404BGRATUMSEW65-OW01_0003.jpg"

Uitsnede Beleidskaart ruimtelijke structuur

In de afbeelding is een uitsnede van de Beleidskaart ruimtelijke structuur van de provincie Gelderland weergegeven. De globale locatie van het plangebied is met een rode cirkel aangegeven. De kaart geeft aan dat ter plaatse sprake is van een "Waardevol landschap", "Extensivering intensieve veehouderij" en "Ecologische hoofdstructuur".

De volgende kernkwaliteiten worden aan het waardevolle Winterswijkse landschap toegekend:

Kleinschalig, organisch gegroeid halfopen landschap met afwisseling van bosjes, houtwallen, landbouwgrond, lanen, beken, boerderijen; oostelijke helft kleinschaliger dan westelijke helft. 

De kleinschaligheid is deels te herleiden tot de kleinschalige geologie en geomorfolgie van het Oost-Nederlands Plateau, dat sterk afwijkt van het aanliggende dekzandlandschap: met heel karakteristieke structuren van kleine ingesneden beken op korte afstand van elkaar.

Grondgebonden landbouw op economische basis draagt bij aan een landschap dat door eigenaren, gebruikers, bewoners en toeristen als ‘levend’ wordt ervaren.

Meanderende beken in smalle dalen als doorgaande structuren, met natuurlijke begroeiing (elzen en essen) in halfopen landschap; overstromingsvlaktes in laagtes. 

De structuur van beken en beekjes die samenstromen in de Groenlosche Slinge en de Bovenslinge wordt bepaald door de ondergrond en menselijke activiteit. Langs de beken zijn veel kleine tot middelgrote (loof)bossen gelegen. Op hogere plaatsen langs de beken is het natuurlijke reliëf opgehoogd met esdekken.

Fraaie, open essen (opvallend groot op de plateaurand van Aalten tot Groenlo) en bijzondere broekgebieden. Binnen de begrenzing van de open escomplexen komen gebiedjes voor die geen oude open bouwlanden zijn, maar bijvoorbeeld overgangen naar beekdalen, kleine beekdalen, bosjes. Deze gebiedjes zijn toleranter voor toevoegingen als opgaande beplanting. Bijzondere broek- en veengebieden zijn het Korenburgerveen en omgeving en het Wooldsche Veen, die getuigen van kleinschalige turfwinning.

Historisch nederzettingspatroon, vervlochten in het landschap: oude boerderijplaatsen (zoals scholtenhoeven), vele gehuchten en grotere nederzettingen.

De enige grote nederzetting in het gebied zelf is Winterswijk, dat als een spin in een web van wegen zit. Aan de westrand van het gebied en het plateau liggen Groenlo, Lichtenvoorde en Aalten. De vele buurtschappen liggen verspreid in het land, de meeste bestaan uit oude en jongere gebouwen, van oorsprong veelal hoeven, in een karakteristieke losse structuur gegroepeerd bij of rond essen en esjes en in veel gevallen aan een beek. Escomplexen liggen bij zulke buurtschappen: onder meer Vragender, Barlo, Meddo, Huppel, Kotten, Miste en Corle.

3.2.2 Ruimtelijke verordening Gelderland

Met een ruimtelijke verordening stelt de provincie regels aan bestemmingsplannen van gemeenten. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, natuur, nationale landschappen, water en glastuinbouw. Provinciale Staten hebben de Ruimtelijke Verordening Gelderland vastgesteld in december 2010 en deze geldt sinds maart 2011. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan op deze regels afstemmen.

3.2.3 Omgevingsvisie en -verordening Gelderland

Op 14 januari 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland de ontwerp omgevingsvisie en de omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Naar verwachting zullen in de tweede helft van 2014 de visie en de verordening door Provinciale Staten vastgesteld worden. Deze verordening is nog niet bindend maar is voor de toekomst wel leidend met betrekking tot het te voeren beleid. De omgevingsvisie en verordening vervangen het Streekplan en de provinciale verordening Gelderland.

De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

  • 1. een duurzame economische structuur;
  • 2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.

Met de Omgevingsverordening worden de onderwerpen uit de Omgevingsvisie waarvoor de provincie verantwoordelijk is juridisch geborgd. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Verwacht wordt dat de omgevingsvisie in het derde kwartaal van 2014 door Provinciale Staten van Gelderland wordt vastgesteld.

3.2.4 Reconstructieplan Achterhoek en Liemers

De gemeente Winterswijk maakt onderdeel uit van het reconstructieplan Achterhoek-Liemers. Het reconstructieplan verdeelt de gemeente Winterswijk in twee soorten gebieden: extensiverings- en verwevingsgebied. Voor extensiveringsgebieden geldt dat natuur en ontwikkeling van het landschap voorop staan. Verweving staat voor het samengaan van diverse functies.

Het perceel Ratumseweg 65 waarop het reconstructieplan van toepassing is ligt in het extensiveringsgebied. Ontwikkeling van natuur en landschap staat in dit gebied voorop. Expliciete doorwerking voor agrarische bedrijven ligt in het verbieden van vestiging of uitbreiding van intensieve veehouderijen in deze zone. Andere agrarische bedrijven zoals grondgebonden veehouderijen, die een belangrijke rol spelen in het beheer en onderhoud van het gebied, dienen wel voldoende perspectief te houden. Ook nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging van biologische veehouderijen is mogelijk. Het ruimtelijk beleid voor deze gebieden is zodanig dat er mogelijkheden zijn voor nieuwe activiteiten, zoals bepaalde vormen van recreatie. Voor grondgebonden bedrijven (melkveehouderij, schapen, paarden, akkerbouw, tuinbouw) zonder intensieve veehouderijtak stelt het reconstructieplan geen beperkingen aan de omvang het bouwblok.Voor deze grondgebonden bedrijven gelden de bepalingen van het op enig moment vigerende ruimtelijke en milieubeleid van gemeente, provincie en Rijk (Wav).

Planspecifiek

Het hele buitengebied van de gemeente Winterswijk is aangeduid als waardevol landschap. Het rijk heeft het Winterswijkse landschap als zodanig getypeerd en de uitwerking van het beleid overgelaten aan de Provincie. Om deze reden stelt de provincie dat iedere ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied van provinciaal belang is.

Voor waardevolle landschappen geldt dat kernkwaliteiten van het landschap zoveel mogelijk versterkt moeten worden. Voor ruimtelijke ingrepen wordt een 'ja, mits' benadering gehanteerd. Voor zover de waardevolle landschappen deel uitmaken van het multifunctioneel gebied is de voorwaarde dat eventuele nieuwe bebouwing leidt tot landschappelijke versterking en dat recht wordt gedaan aan de kernkwaliteiten van de betreffende landschappen. Ten behoeve van de uitbreiding van de melkveehouderij is door de aanvrager een vergunning aangevraagd bij de provincie in het kader van de Natuurbeschermingswet. Deze vergunning is afgegeven op 17 augustus 2009 met nr. 2009-010333. Ten behoeve van de ontwikkeling die in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is een nieuwe vergunning aangevraagd op 29 april 2014 met nr. 2014-007055.

Aan dit bestemmingsplan worden bebouwings- en gebruiksmogelijkheden gekoppeld. Bebouwingsmogelijkheden worden gerestricteerd conform het reconstructieplan en worden grotendeels overgenomen uit het bestemmingsplan Integrale herziening Buitengebied, zodat dezelfde regels blijven gelden voor de onderscheidenlijke melkveehouderijen die de gemeente kent.

Ten opzichte van de nieuwe, nog vast te stellen beleidskaders van de provincie, kan gesteld worden dat de provincie de bestaande sectoren in de Achterhoek ondersteunt. Er wordt gestreeft naar het verbeteren van de economische positie (ruimte scheppen voor economie) en het handhaven van een aantrekkelijke leefomgeving. Voor de Achterhoek geldt specifiek de opgave om gebruik te maken van de ruimtelijke kwaliteit (mooi landschap met veel natuurschoon) en het kansrijke platteland (steunen van de landbouw en de maakindustrie in de achterhoek verbinden met TOP-sectoren). Uitbreiden van een melkveehouderij, zoals dit plan mogelijk maakt, sluit om die reden naadloos aan bij het streven van provincie om de (plattelands)economische structuur van de achterhoek te verbeteren.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Visie Buitengebied

De gemeente Winterswijk streeft naar behoud van het cultuurlandschap. Bestaande waarden worden daarbij beschermd, verloren waarden worden terug gebracht en nieuwe landschappelijke waarden worden gecreëerd. De praktische uitwerking hiervan wordt toegespitst op specifieke landschapstypen. Hiermee worden de bestaande diversiteit en afwisselingen in het landschap gewaarborgd en verder verbeterd. Bij het nemen van maatregelen of het opstellen van beleid kiezen wij voor maatwerk, waar nodig op perceelsniveau. Dit vraagt om flexibel beleid en goede samenwerking tussen de overheden en de burgers. Per saldo wordt de kwaliteit van het buitengebied (of een specifiek gebiedstype daarbinnen) behouden of versterkt bij iedere ontwikkeling die plaats vindt. De manier waarop de bewoners van Winterswijk met het landschap om zijn gegaan is bepalend geweest voor de huidige ‘vorm’ van dit landschap. Dit heeft geleid tot een landschap dat historisch waardevol is, erkend en gewaardeerd wordt.

De gemeente Winterswijk is de eerst aangewezen overheidsinstantie die het lokale landschappelijke belang behartigt. In haar vertaling van het nationale beleid spreekt de gemeente van een cultuurlandschap. Het behartigen van het landschappelijk belang gebeurt op twee manieren:

  • beschermen van waardevolle elementen;
  • ontwikkelen van nieuwe functies en/of nieuwe kwaliteitselementen.

Deze inspanning is gericht op behoud of versterking van het cultuurlandschap. Behouden alleen is echter niet genoeg. Het landschap is een dynamisch geheel dat ontstaat door de specifieke samenhang van de delen. Daarom worden nieuwe ontwikkelingen toegestaan.

Deze nieuwe ontwikkelingen (bijvoorbeeld zorgboerderijen, niet-agrarische werkfuncties, recreatie etc.) leveren een bijdrage aan het buitengebied (landschap, economie, leefbaarheid etc.).

Het cultuurlandschap is een dynamisch geheel. De gemeente wil gebruik maken van de veranderingen die optreden, ten gunste van het cultuurlandschap en de bewoners en gebruikers.

Het behoud van authenticiteit en kwaliteit van gebouwen en groen staat hoog in het vaandel van gemeentelijk beleid. Karakteristieke groene landschapselementen dienen in het gemeentelijk beleid te worden beschermd. De aandacht gaat daarbij primair uit naar dragers van het landschap, bijzonder kwetsbare elementen, moeilijk te vernieuwen elementen en zeldzame elementen. De veelheid van kleine elementen is daarbij karakteristiek voor Winterswijk.

Private initiatieven voor landschapsversterking worden van groot belang geacht. Behoud van karakteristieke openheid vraagt daarbij bijzondere aandacht. Het gaat om zowel kleinschalige openheid, bijvoorbeeld van essen, als meer grootschalige, zoals in het jonge ontginningslandschap.

Zoals hiervoor is beschreven, geldt behoud en ontwikkeling van het agrarische cultuurlandschap als een belangrijk beleidsuitgangspunt voor het gehele buitengebied van Winterswijk. Dit landschap heeft een belangrijke op zichzelf staande waarde. Dit wordt in het bestemmingsplan tot uitdrukking gebracht door het overgrote deel van het gebied, namelijk alle agrarische gronden zoals alle zogenaamde veldkavels (weilanden en akkers) en alle zogenaamde bouwvlakken (erven) waarop de bedrijfsbebouwing van agrarische bedrijven is gelegen, te bestemmen tot ‘agrarisch cultuurlandschap’. Met deze naamgeving wordt benadrukt dat naast het agrarisch gebruik, evenzeer de landschappelijke waarde van belang is die in belangrijke mate met dit gebruik samenhangt.

3.3.2 Omgevingsvergunningen in het agrarisch cultuurlandschap

Behoud en bescherming van de karakteristieke landschapswaarden is een belangrijke voorwaarde binnen het agrarisch cultuurlandschap. Binnen de bestemming ‘Agrarisch - Cultuurlandschap’ wordt deze bescherming vormgegeven via een omgevingsvergunningstelsel. Dit betekent dat ingrepen die kunnen leiden tot aantasting van de gebiedskwaliteiten vooraf moeten worden getoetst, zodat de overweging kan worden gemaakt of de ingreep kan worden uitgevoerd met behoud van de kwaliteiten. Dit kan betekenen dat aan ingrepen aanvullende eisen (bijvoorbeeld, in geval van EHS: compensatie) worden gesteld.

Bij het bepalen van de landschapswaarden is uitgegaan van de waarden zoals die reeds waren toegekend in de vigerende bestemmingsplannen buitengebied Oost en West. Op basis van het gemeentelijk landschapsbeleidsplan en recente ontwikkelingen op het gebied van natuur- en landschapsontwikkeling (Streekplan/structuurvisie Gelderland 2005, Gebiedsplan natuur en landschap, Reconstructieplan Achterhoek en Liemers, Natuurbeschermingswet) is deze systematiek verder aangevuld.

Het gaat om de volgende landschapswaarden:

  • beplantingselementen/houtsingels:

In het coulissenlandschap van Winterswijk is de aanwezigheid van kleinschalige en aaneengesloten beplantingselementen essentieel. Voor een aantal beekdallandschappen is eveneens een versterking van de beplantingsstructuur wenselijk gebleken. In deze gebieden dienen de aanwezige houtsingels behouden te blijven. In uitzonderlijke situaties kan met verwijdering worden ingestemd waarbij elders herplant en compensatie van kwaliteitsverlies plaatsvindt;

  • hoogteverschillen:

Lokaal komt er veel variatie in microreliëf voor bij oevers en oeverwallen langs beken, afgesneden beekarmen, ophogingen door esdekken, steilranden langs essen, houtwallen, veendijken, poelen en vennen maar ook ter plaatse van spoorwegtracés en door klei- en kalkwinning. Het microreliëf is deels natuurlijk ontstaan en deels het gevolg van het in cultuur brengen van de gronden. Deze bestaande hoogteverschillen dienen behouden te blijven;

  • openheid:

Met name in de grote aaneengesloten escomplexen en open ontginningsgebieden is openheid een belangrijke landschapswaarde;

  • onverharde wegen:

Alle huidige halfverharde en onverharde wegen worden beschermd tegen verharding. Het half- en onverharde karakter leidt ertoe dat doorgaand en gemotoriseerd verkeer slechts in beperkte mate gebruik maakt van deze paden en wegen. Dit schept goede condities voor andere gebruikers om de paden te gebruiken als recreatieve verbindingen. Een onverhard pad leidt tot een beleving van rust en landelijkheid.

Vanwege deze waarden geldt de plicht een omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden (omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten) aan te vragen voor:

  • het rooien, vellen van opgaande beplanting in het gehele plangebied;
  • het vergraven, verdiepen, verhogen en egaliseren van gronden in gebieden die op de kaart landschapswaarden zijn aangemerkt als gebied met hoogteverschillen;
  • het aanbrengen van hoog opgaande beplanting in gebieden die op de kaart landschapswaarden zijn aangemerkt als gebied met kenmerkende openheid;
  • het verder verharden van onverharde of halfverharde paden en wegen in het gehele plangebied.

Voorop staat echter dat de ecologische en landschappelijke kwaliteit niet verloren mag gaan. Daarom zal alleen met het rooien van een houtwal of -singel akkoord worden gegaan indien in de nabijheid (op één van de aangrenzende percelen) een vervangende houtwal of -singel wordt gerealiseerd. Bovendien geldt dat het rooien van een houtwal of -singel niet wordt toegestaan bij volgroeide wallen of singels, met een hoge ecologische of landschappelijke waarde.

Bij vervanging van een bestaande houtwal of -singel gaan ecologische waarden die samenhangen met de ouderdom van de wal of singel verloren. Hiervoor wordt een compensatie geëist door de nieuwe houtwal of -singel in oppervlak groter te maken dan de verwijderde houtwal of -singel. Hierbij zal maatwerk plaatsvinden waarbij rekening wordt gehouden met de waarde van de wal of singel die is gerooid en de landschappelijke situatie op de plek waar de nieuwe wal of singel wordt ingepland.

Voor het verwijderen van de houtsingel of -wal zijn burgemeester en wethouders bevoegd een omgevingsvergunning dan wel wijziging te verlenen, waarbij de vervangende inplant en de compensatie als voorwaarden kunnen gelden. Na verlening van de vergunning dient als eerste de vervangende inplant plaats te vinden, alvorens tot het rooien van de bestaande wal of singel wordt overgegaan.

3.3.3 Landschapsontwikkelingsplan

Door verdergaande schaalvergroting, achterstallig onderhoud en verdwijning van traditioneel landgebruik verslechteren de bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. De gemeente heeft daarom de krachten gebundeld. Samen met diverse adviescommissies, provincie Gelderland, waterschap Rijn en IJssel maar vooral ook bewoners en gebruikers van het gebied is een Landschapsontwikkelingsplan opgesteld. In dit plan zijn de unieke landschapswaarden zo goed mogelijk in kaart gebracht en is aangegeven hoe deze het best bewaard en verder ontwikkeld kunnen worden. Uiteraard moet er ook geleefd en gewoond kunnen worden in het landschap en blijft er daarom ook volop ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Het LOP is, net als de Visie Buitengebied, vertaald in het bestemmingsplan buitengebied.

3.3.4 Geldend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan voor het perceel Ratumseweg 65/65a, is het bestemmingsplan "Integrale herziening buitengebied Winterswijk", vastgesteld door de gemeenteraad op 27 januari 2011. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch - Cultuurlandschap", waarop een bouwvlak van toepassing is. In de regels is opgenomen dat de gronden gebruikt mogen worden ten behoeve grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Niet-grondgebonden agrarisch gebruik is beperkt toegestaan, intensieve veehouderij is uitgesloten. Binnen het bouwvlak mogen bedrijfsgebouwen worden gebouwd en is het bestaande aantal bedrijfswoningen toegestaan. De maximale goot- en bouwhoogte is respectievelijk 6,5 meter danwel 12 meter.

Verder geldt voor het perceel een "Archeologische verwachtingswaarde 3". Ingevolge het landschapsbeleid van gemeente en provincie is het perceel getypeerd als "ehs verweving". Als gevolg van de reconstructiewet en het reconstructieplan is ook de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" van toepassing.

Planspecifiek

Agrarische bedrijvigheid blijft een belangrijke drager in het buitengebied. Aan initiatieven in deze steeds schaarser wordende sector wordt dan ook een positieve grondhouding ingenomen. Het belangrijkste uitgangpunt is echter wel dat (waarden in) het landschap behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden. Dit is aangegeven in de Visie buitengebied het LOP en ook de provincie stuurt hierop. De doorvertaling van deze aspecten naar de praktijk betekent dat bij nieuwe ruimtelijke initiatieven een ontwikkelingsplan moet worden opgesteld. Een dergelijk plan maakt om die reden onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Ten behoeve van dit initiatief is zowel een ervenplan (Bijlage 1 Ervenplan Ratumseweg 65a) als een landschapsinrichtingsplan (Bijlage 2 Landschapsinrichtingsplan Ratumseweg 65a) opgesteld. In het ervenplan worden twee mogelijkheden gegeven om het erf in te richten. Hier wordt gebruik van gemaakt van advies 1 van dat plan, wat betekent dat volledig ingezet wordt op gebruik van het bestaande hoofdgebouw ten behoeve van wonen. De uitvoering van dit landschapsinrichtingsplan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels.

Met betrekking tot het vergroten van het bouwvlak wordt aangesloten bij de beleidslijn uit het bestemmingsplan "Integrale herziening buitengebied Winterswijk". In dit bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het vergroten van een agrarisch bouwvlak onder voorwaarden. Deze voorwaarden zijn ook voor dit bestemmingsplan van toepassing. Samengevat is de verantwoording als volgt:

  • 1. "de omvang van het bouwvlak mag na wijziging maximaal 2 ha bedragen, met uitzondering van percelen die voor intensieve veehouderij worden gebruikt";

Het plan betreft het vergroten van een grondgebonden agrarisch bedrijf. De omvang van het bouwvlak is na vaststelling van het plan 16.806 m2.

  • 2. "de vergroting dient nodig te zijn in het kader van de uitoefening van het agrarisch bedrijf";

Uit vertrouwelijke stukken die zijn overlegd met de gemeente is gebleken dat voor een gezonde bedrijfsvoering de uitbreiding noodzakelijk is. In de overweging is ieder geval geoordeeld dat er een goede toekomst vooruitzichten zijn door een sterk aanhoudende vraag naar zuivel wereldwijd. Gezien de leeftijd van de huidige ondernemer is het goed te kijken naar bedrijfsopvolging. Dit is binnen eigen familie mogelijk. De opvolger heeft een goede agrarische opleiding gevolgd en kan in 2015 voor één volledige arbeidskracht reeds ingezet worden, mits de uitbreiding tegen die tijd gerealiseerd is.

  • 3. "er dient een compacte bouwvlakvorm te blijven bestaan waarbij de nieuwe vorm van het bouwvlak de oude vorm in grote lijnen volgt";

In de uitvoering van het plan is rekening gehouden met de omvang en ligging van het nieuwe bouwvlak. Verantwoording hieromtrent is opgenomen in Bijlage 1 van de toelichting en voorwaardelijk verplicht in aritkel 3.5.4  van de regels van dit plan.

  • 4. "het wijzigen dient zo te geschieden dat de inpassing van de gebouwen in het landschap op zorgvuldige wijze kan plaatsvinden, aan de hand van een deugdelijk inrichtingsplan, waarbij onevenredige aantasting van in de directe omgeving voorkomende landschaps- en natuurwaarden en van de waterhuishouding en waterkwaliteit ter plaatse zoveel mogelijk wordt voorkomen";

Een inrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 2 van de regels. Inrichting van het erf conform het landschapsinrichtingsplan is voorwaardelijk verplicht in artikel 3.5.4 van de regels.

  • 5. de bepalingen in artikel 3.8.3 (toetsing belangenafweging) zijn onverkort van toepassing.

De belangenafweging is gedaan in Hoofdstuk 4 van deze toelichting. Dit hoofdstuk gaat in op de ruimtelijke en milieuhygiënische aspecten die de uitvoerbaarheid van het plan al dan niet in de weg staan. De maatschappelijke uitvoerbaarheid wordt gegarandeerd door de mogelijkheid van derden door zienswijzen kenbaar te maken tijdens de terinzage legging van dit plan (zie hiervoor paragraaf 6.3).

Ook voor de theetuin geldt beleid op basis van het geldende bestemmingsplan Integrale herziening buitengebied Winterswijk. Artikel 6.3.4.f stelt dat kleinschalige terrasvoorzieningen zijn toegestaan, met inachtneming van tenminste de volgende voorwaarden:

  • 1. voor zover deze functie binnen bebouwing plaatsvindt, mag hiervoor uitsluitend de bebouwing zoals deze bestond op 25 januari 2007, worden gebruikt;
  • 2. maximaal 50%, met een absoluut maximum van 200 m2, van de vloeroppervlakte van de bebouwing mag hiervoor worden gebruikt en maximaal 100 m2 van de gronden buiten de bebouwing mogen worden ingericht ten behoeve van kleinschalige terrasvoorzieningen;
  • 3. zorggedragen dient te worden voor een streekeigen landschappelijke inpassing;
  • 4. voorzien dient te worden in voldoende parkeerruimte op eigen erf;
  • 5. de bepalingen in artikel 3.6.10 (toetsing belangenafweging) zijn onverkort van toepassing;
  • 6. de bepalingen in artikel 3.6.7 (stapeling van afwijkingen) zijn onverkort van toepassing.

In de planregels van dit bestemmingsplan zijn deze voorwaarden overgenomen, maar in plaats van deze met een afwijkingsbevoegdheid toe te staan (zoals in de integrale herziening) is bovenstaande bij recht toegestaan (artikel 3.5.3).

Het plan is in lijn met de voorwaarden die gesteld worden aan uitbreiding van een agrarisch bouwvlak en past binnen de geldende gemeentelijke beleidskaders.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging moet een bodemonderzoek worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

Om in beeld te brengen of ter plaatse bodemverontreiniging wordt verwacht is een archiefonderzoek uitgevoerd:

  • Voor zover bekend is op het perceel niet eerder bodemonderzoek uitgevoerd.
  • Er is geen ondergrondse tank bekend.
  • Er is een milieuvergunning afgegeven (agrarisch bedrijf). Ter plaatse van de wijzigingen hebben – voor zover bekend – geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden.
  • In het historisch bodembestand (HBB) zijn geen bodembedreigende activiteiten bekend.

Planspecifiek

De bodemkwaliteit op het perceel is niet eerder door middel van bodemonderzoek vastgesteld. Op grond van het uitgevoerde archiefonderzoek wordt verondersteld dat ter plaatse van de wijzigingen geen sprake is van een (ernstige) bodemverontreiniging. Het uitvoeren van bodemonderzoek om de feitelijke bodemkwaliteit vast te leggen is niet noodzakelijk en er zijn geen (sanerings)maatregelen nodig om de bodemkwaliteit te verbeteren. De bodemkwaliteit wordt geschikt geacht voor de toekomstige functie.

4.1.2 Lucht

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen);
  • Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (nibm) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling Nibm is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling Nibm kan deze nog steeds, niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m3 komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m3.

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze “gevoelige bestemmingen” zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerzijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van “gevoelige bestemmingen” binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007

In deze regeling staat staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen:

  • CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer;
  • NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering;
  • ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer;
  • ISL3a: berekening van emissies van industrie (ondermeer veehouderijen).

 

Planspecifiek

Bedrijfswoning

De Regeling nibm is van toepassing, omdat de ruimtelijke procedure voorziet in de realisatie van een woning. Het aantal woningen dat dit plan mogelijk maakt valt echter onder het genoemde aantal zoals in de lijst met categorieën is opgenomen. Aanvullend onderzoek naar luchtkwaliteit is niet nodig.

Overwegingen bij veeteelt (niet-intensief)

Een veehouderij valt niet bij voorbaat onder de categorieën van nibm-gevallen. Bij intensieve veeteelt kan de emissie van fijn stof van belang zijn. Hier is echter sprake van niet-intensieve veeteelt. De emissie van fijn stof is verwaarloosbaar waardoor het Besluit nibm niet van toepassing is. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig.

4.1.3 Geluid

In ruimtelijke procedures is het van belang om mogelijke hinder of overlast voor mensen voor het aspect geluid te beoordelen. Voor een aantal bestemmingen (zoals wonen) in combinatie met een aantal typen geluidsbronnen is de Wet geluidhinder het wettelijk kader dat van belang is bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

In de Wet geluidhinder staat beschreven dat alle wegen een zone hebben. Een uitzondering hierop zijn wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur of lager. De zone is een gebied waarbinnen een akoestisch onderzoek verplicht is als er een nieuwe woning mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of de omgeving binnenstedelijk of buitenstedelijk is. In de onderstaande tabel staan de zonebreedtes gegeven.

Aantal rijstroken   Zone-breedte [m¹]  
binnenstedelijk   buitenstedelijk    
Zone-breedte [m¹] 1 of 2     200  
3 of meer     350  
  1 of 2   250  
  3 of 4   400  
  5 of meer   600  

Tabel1: Zonebreedtes

In de Wet geluidhinder (Wgh) worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen langs een bestaande weg binnen en buiten de bebouwde kom. In artikel 82 lid 1 staat dat voor deze woningen de geluidsbelasting van het verkeerslawaai op de gevel maximaal 48 dB mag zijn. Dit wordt de voorkeurswaarde genoemd.

Op grond van de verwachting dat de geluidproductie van motorvoertuigen in de toekomst afneemt, mogen de berekende geluidbelastingen op de gevels worden gereduceerd:

  • 1. met 2 dB bij wegen met een toegestane rijsnelheid van 70 km/h en hoger; en
  • 2. met 5 dB bij wegen met een rijsnelheid van lager dan 70 km/h.

Voor de bepaling van de geluidwering van de gevels (bij de bouwvergunning) mogen deze reducties niet worden toegepast.

Er wordt 10 jaar vooruit gerekend wat betreft de verkeersbelasting en de bijbehorende gevelbelasting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0294.BP1404BGRATUMSEW65-OW01_0004.jpg"

Afstand van de nieuwe woning tot de Ratumseweg

Planspecifiek

De locatie is gelegen aan de Ratumseweg. Aan de zuidzijde van het perceel ligt de Sellinkweg, een zandweg en ten noorden van het perceel splitst de Ratumseweg zich in de Dwarsweg en de Ratumseweg. De Sellinkweg is als zandweg niet interessant en verwaarloosbaar. De Ratumseweg en de Dwarsweg zijn rustige buitengebied wegen. De ten hoogste toelaatbare waarde voor geluidsgevoelige gebouwen is 48 dB. De nieuwe bedrijfswoning in de aanbouw aan de bestaande bedrijfswoning ligt op een 9 meter van de weg. Bij een geschatte etmaalintensiteit van 200 mtv ligt de 48 dB contour op 14 meter uit de weg. (zonder correctie voor het stiller worden van het verkeer Wgh art 110 g). De gevelbelasting komt daarmee boven de 48 dB. Door middel van een procedure hogere grenswaarde op grond van de Wgh mag de voorkeursgrenswaarde worden overschreden tot de maximale grenswaarde van 63 dB. De procedure dient tegelijk met het bestemmingsplan te worden doorlopen. Tijdens de terinzagelegging van dit bestemmingsplan zal daarom ook een procedure hogere grenswaarde gevoerd worden. Omdat echter de indeling van de woning onbekend is, zal het akoestisch onderzoek dat hierbij moet worden uitgevoerd bij de beoordeling om omgevingsvergunning worden meegewogen.

Geconcludeerd wordt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Een procedure hogere grenswaarde is nodig om de nieuwe woning ruimtelijk in te passen. Deze procedure zal tegelijk lopen met de procedure van dit bestemmingsplan. Ten behoeve van de omgevingsvergunning die nog moet worden afgegeven, voor verbouw en ingebruikname van de nieuwe woning, zal een akoestisch onderzoek uitgevoerd moeten worden. Vooralsnog valt wel te stellen dat de hogere grenswaarde van 63 dB, gezien de afstand tot de weg en de geluidsproductie van het wegverkeer, zeker niet overschreden zal worden. Het aspect 'Geluid' vormt geen belemmering voor de realisatie van het project.

4.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is van toepassing op vergunningplichtige veehouderijen. Het betreft alle bedrijven die niet onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit vallen. Een vergunning is nodig bij het houden van meer dan 1.200 vleesrunderen, 2.000 schapen/geiten, 3.750 gespeende biggen, 200 stuks melkrundvee (exclusief vrouwelijk jongvee), 340 stuks melkrundvee (inclusief vrouwelijk jongvee), 100 paarden/pony's (exclusief dieren in opfok), 50 overige landbouwhuisdieren, 750 zeugen, 2.000 vleesvarkens, 40.000 stuks pluimvee of 0 pelsdieren. Het bedrijf aan de Ratumseweg 65a valt hier niet onder. Aan de Ratumseweg 50 ligt echter nog een veehouderij, op dit bedrijf is wel een milieuvergunning van toepassing.

De Wgv maakt onderscheid tussen twee situaties:

  • diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld;
  • diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld.

Dit leidt tot twee verschillende manieren van beoordelen (zie onderstaand kader).

diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld  
de vergunde dieraantallen en diersoorten zijn om te rekenen naar de totale geuremissie van een bedrijf
deze berekende emissie kun je invoeren in een verspreidingsmodel (computerprogramma)
het verspreidingsmodel berekent de geurbelasting (concentraties) dat een bedrijf veroorzaakt in de omgeving
deze geurbelasting vergelijk je met de ter plaatse geldende geurnormen:
3 odour units per kubieke meter lucht voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom
14 odour units per kubieke meter lucht voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom
geurgevoelig object: woning of ander gebouw bestemd voor langdurig menselijk verblijf
varkens, kippen, vleeskalveren en vleesstieren zijn voorbeelden van dieren met een bekende geuremissie  
diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld  
voor deze diercategorieën gelden vaste afstanden, berekeningen zijn verder niet nodig
deze afstanden moet een veehouderij minimaal in acht nemen:
100 meter voor geurgevoelige objecten woningen in de bebouwde kom
50 meter voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom
melkkoeien en paarden zijn voorbeelden van dieren met een niet bekende geuremissie  

Voor de berekening van de geurbelasting zijn twee verspreidingsmodellen beschikbaar: V-Stacks Vergunning en V-Stacks Gebied. Die hebben elk hun eigen toepassingsgebied (zie onderstaand kader).

V-Stacks Vergunning  
het vanuit de wet voorgeschreven programma bij vergunningverlening
gaat voor geurverspreiding uit van emissiepunten (uitlaatopeningen van een stal)
geeft als resultaat de waarde van de geurbelasting op zelf aan te geven coördinaten (in tabelvorm)
toont geen geurcontouren  
V-Stacks Gebied  
bedoeld als hulpmiddel voor gemeentelijke geurbeleid
ook geschikt voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen
kan voor de geurverspreiding zowel uitgaan van emissiepunten als van de rand van een agrarisch bouwblok
berekent de geurbelasting op een raster aan punten binnen een bepaald gebied
met het resultaat van deze berekening kun je een geurcontour op een digitaal kaartsysteem weergeven  

Bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen zijn drie stappen te onderscheiden:

  • 1. De eerste stap gaat uit van de rand van het agrarisch bouwblok als rekenpunt. De invoerwaarden voor V-Stacks Gebied krijgen daarbij de waarde 0 toegekend. Het resultaat van deze berekening is de grootst mogelijke geurcontour die met de vergunde veebezetting kan optreden (“worst case scenario”). De situatie is toelaatbaar als het nieuwe of uit te breiden geurgevoelige object buiten deze geurcontour ligt.
  • 2. Een tweede stap is nodig als het geurgevoelige object binnen de met stap 1 berekende geurcontour ligt. De invoerwaarden komen dan overeen met de vergunde situatie. De rand van het agrarisch bouwblok geldt daarbij nog steeds als uitgangspunt. Het is verstandig om in deze wat meer kritische situatie de berekeningen uit te voeren met V-Stacks Vergunning. Desgewenst is het mogelijk om met V-Stacks Gebied alsnog de geurcontour in beeld te brengen. De situatie is toelaatbaar als blijkt dat de geurbelasting op het geurgevoelige object voldoet aan de geurnorm.
  • 3. Een derde stap is mogelijk als uit de voorgaande stappen blijkt dat de situatie niet toelaatbaar is. Daarbij geldt als voorwaarde dat een bestaande woning of ander geurgevoelig object de veehouderij meer in zijn uitbreidingsmogelijkheden beperkt dan de nieuwe ontwikkeling. Andersom geredeneerd: de geurbelasting op de nieuwe ontwikkeling moet kleiner zijn de geurbelasting op een bestaand geurgevoelig object. Hierbij geldt dezelfde emissiepuntbenadering als bij vergunningverlening (dus niet uitgaan van de rand van het agrarisch bouwblok, zoals bij stap 1 en 2). Berekeningen zijn wederom uit te voeren met V-Stacks Vergunning. Uiteindelijk blijkt uit deze stappen of een ruimtelijke ontwikkeling al dan niet toelaatbaar is.

Voor veehouderijen met vaste afstanden is de systematiek vergelijkbaar. De grens van het agrarisch bouwblok geldt daarbij in principe als meetpunt. Een uitzondering valt te maken voor situaties waarbij bestaande beperkingen meer bepalend zijn voor de uitbreidingsmogelijkheden van een veehouderij. Dan geldt afhankelijk van de situatie de rand van de stal of het emissiepunt als meetpunt.

Activiteitenbesluit

Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest).

Daarnaast zijn er bedrijven die nog wel een omgevingsvergunning milieu nodig hebben. Voor hen gelden de voorschriften uit hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit naast de omgevingsvergunning milieu. Dit zijn type C-bedrijven. Het gaat hierbij om IPPC-bedrijven, bedrijven met dieraantallen boven de drempels uit het Besluit omgevingsrecht, nertsenhouderijen en bedrijven die mest vergisten.

Verder kan een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) nodig zijn voor het houden van bepaalde aantallen dieren: een OBM vanwege fijn stof of een OBM vanwege een milieueffectrapportage.

Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden.

Planspecifiek

Het enige veehouderijbedrijf in de directe omgeving is Ratumseweg 50 ten zuidoosten van het perceel op ongeveer 550 meter afstand.

afbeelding "i_NL.IMRO.0294.BP1404BGRATUMSEW65-OW01_0005.jpg"

Afstand plangebied tot dichtsbijzijnde agrarische (intensieve) veehouderij

Deze afstand is zo groot en de nieuwe woning is niet de maatgevende woning voor hinder in de bedrijfsvoering voor Ratumseweg 50. De gewenste ruimtelijke ontwikkeling vormt geen problemen. De geurbelasting ligt onder de 14 OU.

Voor de melkrundveehouderij Ratumseweg 65 geldt een vaste afstand van 50 meter in het buitengebied op basis van het activiteitenbesluit. In een omtrek van 50 meter rondom het bouwperceel liggen geen objecten. Aan de criteria in het Activiteitenbesluit wordt ruim voldaan.

De nieuwe ontwikkeling ligt op voldoende afstand van omliggende veehouderijen. Deze ontwikkeling werkt niet belemmerend voor deze bedrijven. Ook het woon- en leefklimaat op deze locatie is niet in het geding. Voor de planologische procedure levert dit dus geen problemen op. Geurhinder is geen aandachtspunt.

4.1.5 Milieuzonering

Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid gebruik te maken van de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom is deze publicatie te gebruiken voor het verantwoord inpassen van bedrijvigheid in een woon- of werkomgeving. De publicatie geeft informatie over de milieukenmerken van vrijwel alle voorkomende bedrijfstypen. Het biedt daarmee een hulpmiddel om ruimtelijke ordening en milieu op elkaar af te stemmen. Het is niet de bedoeling om de in deze publicatie genoemde richtafstanden zonder meer toe te passen. De afstanden zijn namelijk afhankelijk van de omgevings- en bedrijfskenmerken. Dit leidt tot het gemotiveerd toepassen van de afstanden. De uit de publicatie voortvloeiende afstanden staan hieronder per bedrijf vermeld. Uitgangspunt is dat de in de bedrijvenlijst genoemde afstanden gelden tussen enerzijds de perceelgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van de woning. De richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. Dit kan zowel een rustige woonwijk als een rustig buitengebied zijn. Het kan zijn dat specifieke wet- en regelgeving andere afstanden voorschrijft. Dit gaat dan voor de afstanden uit de VNG-publicatie.

Voor de beoordeling van concrete activiteiten kan concreet en gedetailleerd onderzoek naar de werkelijke milieubelasting zinvol of noodzakelijk zijn. Uit de globale beoordeling aan de richtafstanden kan blijken dat een ontwikkeling niet mogelijk is. Dit hoeft niet te betekenen dat deze hoe dan ook niet door kan gaan. Uit nader onderzoek naar de daadwerkelijke milieubelasting van bedrijven kunnen namelijk kleinere afstanden dan de richtafstanden volgen. Op dat moment is een afweging aan de orde met betrekking tot de belangen van woningbouw en bedrijvigheid. In die afweging speelt ook de langere termijn visie op de gewenste ontwikkeling van het bedrijventerrein of de bedrijfslocatie een rol.

Planspecifiek

In de directe omgeving van de aangevraagde ontwikkeling bevinden zich geen bedrijven. Op +/- 550 meter afstand ligt een intensieve veehouderij (Ratumseweg 50). Er dient bij de toetsing uitgegaan te worden voor beide woningen op het perceel nr.'s 65 en 65a. De volgende afstanden zijn van toepassing:

SBI 2008   Omschrijving   Geur   Stof   Geluid   Gevaar   Categorie  
0141, 0142   Fokken en houden van rundvee   100   30   30   0   3.2  
0146   Fokken en houden van varkens   200   30   50   0   4.1  

De afstand van de woningen aan Ratumseweg 65 en 65a tot aan de Ratumseweg 50 is groot genoeg om geen belemmering te vormen voor de uitoefening van het intensieve veehouderijbedrijf.

Ratumseweg 65 is zelf ook een inrichting, namelijk een melkveehouderij, maar ook beperkte horeca; te weten de theetuin. Voor de theetuin gelden de volgende afstanden:

SBI 2008   Omschrijving   Geur   Stof   Geluid   Gevaar   Categorie  
561   Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.   0   0   10   0   1  

Voor de veehouderij geldt het volgende:

SBI 2008   Omschrijving   Geur   Stof   Geluid   Gevaar   Categorie  
0141, 0142   Fokken en houden van rundvee   100   30   30   0   3.2  

Binnen bovengenoemde afstanden bevinden zich geen woningen. De dichtstbijzijnde woning ligt op +/- 300 meter van het plangebied. Geurhinder is daarnaast apart beoordeeld in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij (paragraaf 4.1.4).

De nieuwe ontwikkeling ligt op voldoende afstand van omliggende bedrijven en woningen.

4.1.6 Externe veiligheid

Het op 27 oktober 2004 in werking getreden Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder aangeduid met Bevi) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. Daartoe legt het besluit het plaatsgebonden risico vast en geeft het besluit een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico.

Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is door het ministerie van Verkeer en Waterstaat vastgelegd in de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (nota Rnvgs). Hierover is vervolgens een circulaire verschenen waarin dit beleid verder is uitgewerkt en verduidelijkt.

Planspecifiek

In de omgeving van de voorgestane ontwikkeling zijn geen qua externe veiligheid relevante inrichtingen aanwezig. De locatie valt buiten de plaatsgebonden risicocontouren van 10-6 per jaar en is bovendien niet gelegen in enig invloedsgebied van het groepsrisico.

In onderhavig plan wordt niet voorzien in verkeersbewegingen die onder de noemer “vervoer gevaarlijke stoffen” vallen. Op wegen in de omgeving is het aantal transporten met gevaarlijke stoffen bovendien zodanig gering, dat de plaatsgebonden risicocontouren van 10-6 per jaar binnen de rijbaan liggen en het groepsrisico verwaarloosbaar klein is.

Verder zijn in de omgeving geen ondergrondse buisleidingen voor het vervoer van aardgas onder hoge druk of vloeibare brandstoffen aanwezig.

De onderstaande uitsnede uit de landelijke Risicokaart Externe veiligheid geeft aan dat er geen aandachtspunten in de directe omgeving aanwezig zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0294.BP1404BGRATUMSEW65-OW01_0006.jpg"

Uitsnede Risicokaart, de bebouwing in het plangebied ligt in het midden van de kaart

In de omgeving van deze locatie bevinden zich geen Bevi-bedrijven. Ook vanuit het Activiteitenbesluit en het Vuurwerkbesluit krijgt deze locatie niet te maken met veiligheidsafstanden.

In de omgeving zijn geen ondergrondse buisleidingen voor het vervoer van aardgas onder hoge druk of vloeibare brandstoffen aanwezig.

Met betrekking tot het aspect externe veiligheid kan gesteld worden dat de ontwikkeling ruimtelijke goed inpasbaar is.

4.2 Water

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

4.2.1 Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
4.2.2 Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

4.2.3 Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Planspecifiek

In het plangebied komt geen oppervlaktewater voor en zijn geen watergangen gelegen. De bestemming "Water" is dan ook niet specifiek opgenomen in dit bestemmingsplan. Ten behoeve van een complete toetsing is door het Waterschap een tabel met de waterthema's ontwikkeld. Op deze wijze kan getoetst worden of aan alle aspecten van het waterbeleid wordt voldaan.

Thema   Toetsvraag   Relevant   Intensiteit#  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?  

Nee

Nee  

2

2  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?  
Nee
Nee

Nee  
2
1

1  
Wateroverlast (oppervlakte-water)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?  

Ja

Ja
N.v.t.

Nee  

2

1
1

1  
Oppervlakte-
waterkwaliteit  
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?  
Ja  

1  
Grondwater-
overlast  
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
3. Is in het plangebied sprake van kwel?
4. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?
5. Beoogt het plan aanleg van drainage?  

Nee
Nee
Nee
Nee  

1
1
1
1  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?  
Nee  

1  
Inrichting en beheer   1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  

Ja
Nee  

1
2  
Volksgezondheid
 
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  

Nee


Nee  

1


1  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee
Nee

Nee
Nee  
2
2

1
1  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee   1  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?  

Nee  


2  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?  
Nee  

1  

Riolering en afvalwaterketen

De bestaande bebouwing aan de Ratumseweg 65 (woning met twee wooneenheden) is aangesloten op het gemeentelijk drukrioleringssysteem (P982). Het als gevolg van het maken van een derde wooneenheid (binnen het bestaande gebouw) vrijkomende huishoudelijk afvalwater moet op het drukrioleringssysteem worden aangesloten. De capaciteit is voldoende voor de afvoer van het afvalwater.

Wateroverlast

Het bestaande verharde oppervlak is niet op riolering aangesloten en wordt geïnfiltreerd in de bodem en/of beperkt geloosd op een watergang.

De exacte toename van het verhard oppervlak in het plangebied is op dit moment niet bekend. Vrijkomend hemelwater als gevolg van toename van verhard oppervlak moet ter plaatse geïnfiltreerd worden. Als infiltratie niet mogelijk is moet een bergingsvoorziening worden aangelegd. Voor een toename van verhard oppervlak tot 2500 m2 moet 20 mm berging gerealiseerd worden. Is de toename meer dan 2500 m2 dan moet 40 mm berging gerealiseerd worden. De overloop van de waterberging mag maximaal de landelijke afvoer zijn (1,5 l/s.ha), geloosd op de watergang aan de noordzijde van het perceel.

Inrichting en beheer

De watergang aan de noordzijde van het perceel is in eigendom en beheer van het waterschap Rijn & IJssel. Doordat de lozing op de watergang slechts maximaal de landelijke afvoer mag zijn, is de invloed van het plan op deze watergang is zeer beperkt.

4.3 Verkeer

Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd project op de verkeersstructuur. Het plangebied is ontsloten aan de Ratumseweg. Dit is een rustige weg zonder speciale verbindende functie enkel dan voor het ontsluiten van de percelen die aan deze weg gelegen zijn.

Planspecifiek

Het plan zoals beoogd door initiatiefnemer heeft geen verkeersaantrekkende werking. De bedrijfsactiviteiten worden uitgebreid, de frequentie van het transport zal mogelijk licht toenemen, maar niet in betekende mate. Voor de nieuwe woning zal extra parkeergelegenheid geregeld moeten worden. Dit zal geheel op eigen terrein gebeuren.

4.4 Kabels en leidingen

Ten behoeve van het initiatief is gekeken naar de aanwezigheid van kabels en leidingen in het plangebied. Ter plaatse van de (grondwerkzaamheden voor de) nieuw te bouwen stal liggen geen kabels en leidingen. Voor de uitvoering van dit plan hoeven geen kabels en leidingen verlegd te worden.

4.5 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.

Gebiedsbescherming

De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:

  • Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
  • beschermde Natuurmonumenten;
  • wetlands.

Naast deze drie soorten gebieden is de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur ((P)EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De (P)EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.


Soortenbescherming

De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website synbiosys.alterra.nl/natura2000 geraadpleegd. Onderstaand een screenshot van die website waarbij alle raadpleegbare gebieden zijn 'aangevinkt'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0294.BP1404BGRATUMSEW65-OW01_0007.jpg"

Het plangebied maakt onderdeel uit van Nationaal landschap 'Winterswijk'. In het plangebied is verder geen nadere aanduiding van toepassing. Aangrenzend aan het plangebied liggen delen van de EHS. Op 3 kilometer afstand ligt het Natura2000 gebied Willinks Weust. De Natuurbeschermingswet 1998 regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden en gebieden die als beschermd natuurmonument zijn aangewezen. Om negatieve effecten op de gebieden te voorkomen is in de wet een vergunningplicht opgenomen.

Op ca. 3 km afstand van het plangebied ligt het Natura 2000 gebied 'Willinks Weust' en het beschermde natuurmonument 'Heksenbos'. Om de natuurwaarden van deze gebieden te behouden, stelt de provincie beheerplannen op met beschermende maatregelen. Om negatieve effecten op de gebieden te voorkomen is in de wet een vergunningplicht opgenomen. De provincie Gelderland is bevoegd voor de vergunningverlening van de in Gelderland liggende Natura 2000-gebieden. Activiteiten met mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden zijn vergunningplichtig. Ook voor projecten buiten een Natura 2000 gebied - of een Beschermd Natuurmonument - kan een vergunning nodig zijn.

Ten behoeve van dit plan is door de aanvrager een vergunning aangevraagd bij de provincie in het kader van de Natuurbeschermingwet. Deze vergunning is afgegeven op 17 augustus 2009 met nr. 2009-010333. Ten behoeve van de ontwikkeling die in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is een nieuwe vergunning aangevraagd op 29 april 2014 met nr. 2014-007055. Gedeputeerde Staten van Gelderland is voornemen deze vergunning verlenen. De aanvraag ligt van 9 juli 2014 tot 20 augustus 2014 ter inzage.

Er zijn geen compenserende- of mitigerende maatregelen verplicht, maar de initiatiefnemer zorgt middels het aanbrengen van een erfbeplanting voor de versterking van de landschappelijke kwaliteit ter plekke. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Ten behoeve van dit bestemmingsplan en de NB-wetvergunning is een quick-scan flora en fauna uitgevoerd. Deze is opgenomen als Bijlage 2 bij dit plan.

Het effect van het plan op de EHS is klein. Er wordt geen bebouwing gesloopt zodat er geen verstoring van soorten plaats vindt. Bij nieuwbouw van de stal moeten de gebruikelijke richtlijnen in acht worden, zodat soorten niet in het broedseizoen worden gestoord.

De uitvoerbaarheid van het initiatief op het gebied van ecologie is daarmee aangetoond.

4.6 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden.

Archeologie

Archeologie gaat over de (verwachte) cultuurhistorische waarde in de bodem. Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet 1988. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en / of het initiatief aangepast kan worden.

Ook de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) uit 2007 is in dit kader van belang. De verantwoordelijkheid voor cultuurhistorische waarden ligt bij de gemeente en dit moet bij vaststelling van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) meegenomen worden.

Bij veranderingen van de bestaande bestemming dient naar het aspect van de archeologie te worden gekeken. Op die locaties binnen het plangebied waar in de toekomst nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zullen plaatsvinden, zal bekeken moeten worden of het uitvoeren van archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Op basis van het onderzoek kan worden beslist hoe met de eventueel aanwezige archeologische waarden dient te worden omgegaan.

Op 25 november 2010 is de nieuwe Erfgoedverordening met bijbehorende archeologische beleidskaart door de gemeenteraad vastgesteld. De archeologische beleidskaart geeft de archeologische (onderzoeks)verplichtingen voor verschillende bodemingrepen. Deze kaart is als onderlegger gebruikt voor de vaststelling van het Bestemmingsplan Buitengebied. De archeologische beleidskaart dient ook als onderlegger voor dit bestemmingsplan.

Planspecifiek

Op grond van de archeologische beleidskaart wordt archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht als de bodemverstoring groter is dan 100 m2. Het voorgenomen bouwplan beoogt een uitbreiding van de bestaande bebouwing met 1.820 m2. Om die reden is een archeologisch bureau- en booronderzoek gedaan. Uit onderzoek is het volgende gebleken.

Op een diepte variërend van 50 tot 100 cm beneden het maaiveld is de C-horizont aangetroffen. De C-horizont bevat matig siltig, matig fijn, goed gesorteerd en afgerond, roesthoudend zand dat is geïnterpreteerd als dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). De boringen worden gekenmerkt door een toplaag met een dikte van circa 30 cm, die bestaat uit matig fijn, matig siltig, humeus en donkergrijs zand, de bouwvoor (Ap-horizont). Onder de bouwvoor bevindt zich in de boringen 2, 4, 5, 6 en 8 een gemengde laag geelgrijs of geelbruin zand, waarin het zand van de bouwvoor gemengd met het zand van de C-horizont voorkomt. In boring 2 zijn in deze gemengde laag resten van een verploegde B-horizont aangetroffen. Daaronder bevindt zich het zand van de C-horizont. In boring 7 ligt het zand van de bouwvoor direct op het zand van de C-horizont, de gemengde laag komt hier niet voor. In boring 3 bevindt zich tussen de bouwvoor en de C-horizont een donkeroranje gekleurde, sterk roesthoudende laag met een dikte van circa 15 cm, een zogenaamde oerbank. In boring 1 is de C-horizont aangetroffen op een diepte van 100 cm beneden maaiveld. De C-horizont wordt afgedekt door een laag opgebracht zand dat keileembrokjes bevat.

Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische resten of indicatoren aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats. Daarom kan de middelhoge verwachting om archeologische waarden uit de perioden neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen aan te treffen naar laag worden bijgesteld en kan de lage verwachting voor de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd worden gehandhaafd.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt voor het plangebied geen vervolgonderzoek aanbevolen. Het complete archeologisch onderzoek is opgenomen als Bijlage 3 bij deze toelichting.

Naar aanleiding van het onderzoek wordt geconstateerd dat de verwachtingswaarde voor archeologische vondsten bijgesteld kan worden naar een lage verwachting. Dit heef tot gevolg dat de gronden in dit partiële plan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 4' krijgen.

4.7 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

Het voorliggende bestemmingsplan heeft voor de gemeente Winterswijk geen financiële consequenties, aangezien de plannen voor rekening en risico van de initiatiefnemer komen. In geval van planschade is een overeenkomst getekend waardoor eventuele planschadekosten op de initiatiefnemer verhaald kunnen worden.

Kostenverhaal

Er is sprake van een bouwplan volgens artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro), waar op basis van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan voor dient te worden vastgesteld. Lid 2 van dit artikel geeft echter aan dat het niet nodig is om een exploitatieplan vast te stellen wanneer het verhaal van kosten anderszins verzekerd is. In dit geval zijn de kosten anderszins verzekerd en is het dus niet nodig om een exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.

Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde.

Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

  • Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

5.4 Wijze van bestemmen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

Daarnaast zijn twee gebiedsaanduidingen van toepassing te weten:

  • 'EHS verweving';
  • 'Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied'.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Voor kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg

Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk overleg niet toegezonden aan de inspectie. Het plan is met de provincie overlegd, mede in verband met de vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet.

Dit plan is getoetst aan het beleid van het waterschap. De toetsing is gedaan aan de hand van de watertabel van het Waterschap Rijn en IJssel. Het plan voldoet aan de kaders die gegeven worden in de watertabel. De verantwoording is navenant. Omdat voldaan wordt aan de kaders van de standaard watertabel bestaat overeenstemming over de gewenste situatie, zie hiervoor paragraaf 4.2.

6.3 Verslag zienswijzen

In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.