Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Haartweg 2, Winterswijk
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0294.WP1306BGHAARTWEG2-OW01

Toelichting

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Haartweg 2 te Winterswijk ligt, in het buitengebied, het horecabedrijf van de initiatiefnemers. De initiatiefnemers zijn voornemens het horecabedrijf uit te breiden.
 
Het restaurant zal worden uitgebreid met een serre. Verder zal een bestaande kaploods vervangen worden door een kaploods met een grotere omvang dan de huidige aanwezige kaploods.  

1.2 Vigerende bestemmingsplannen

In het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Winterswijk', vastgesteld 28 februari 2011, staat het volgende vermeld:
  1. de planlocatie heeft de bestemming horeca met de aanduiding bouwvlak;
  2. dubbelbestemming waarde archeologie 1 en 2;
  3. gebiedsaanduiding waardevol landschap;
  4. gebiedsaanduiding natte natuur;
  5. gebiedsaanduiding reconstructiewetzone-verwervingsgebied;
  6. gebiedsaanduiding geluidszone-spoor.
 Afbeelding: uitsnede vigerend bestemmingsplan; buitengebied Winterswijk. (bron ruimtelijkeplannen.nl)
 
Afbeelding 1.1: uitsnede vigerend bestemmingsplan; buitengebied Winterswijk. (bron ruimtelijkeplannen.nl)
 
De voor Horeca aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een horecabedrijf. Het huidige bestemmingsvlak is oranje gekleurd.
 
Op het terrein geldt gedeeltelijk de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' (WR-AV1) gedeeltelijk de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' . Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.
 
Conclusie
De huidige bestemming maakt de gewenste ontwikkeling niet mogelijk.
    

1.3 Keuze procedure

Burgemeester en wethouders zijn voornemens aan de geschetste ontwikkeling wijziging van het bestemmingsplan medewerking te verlenen. Voor de wijzigingsprocedure zijn B&W bevoegd.

1.4 Opzet van de toelichting

In deze toelichting worden de ruimtelijke consequenties van het project op de omgeving weergegeven. Alle deelaspecten worden beschreven, waarbij de uitweiding per onderdeel is aangepast aan de mate waarin het project afwijkt van het geldende bestemmingsplan. De volgende deelaspecten worden beschreven:
  • Beschrijving van het project (gebied) planologische kader:
    • Rijksbeleid
    • Provinciaal beleid
    • Gemeentelijk beleid
  •  Effect van het project:
    • planologisch;
    • stedenbouwkundig;
    • milieu;
    • geluid; 
    • lucht, licht, trillingen;
    • water;
    • archeologie;
    • bodem;
    • externe veiligheid;
    • economische uitvoerbaarheid.

1.5 Bij het plan behorende stukken

Het wijzigingsplan 'Haartweg 2' bestaat uit de volgende stukken:
  • de verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.0294.WP1306BGHAARTWEG2-OW01 schaal 1: 1000) en een renvooi;
  • de regels;
  • de toelichting.  
Op de verbeelding zijn de toegekende bestemmingen in het plandeel weergegeven. De bestemmingen corresponderen met de planregels, waarin bepalingen zijn opgenomen welke de uitgangspunten van het plan zeker stellen. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende afwegingen en motieven.

2 Huidige Situatie

Het plangebied is gelegen in het agrarische cultuurlandschap ten zuidwesten van de dorpskern van Winterswijk in de buurtschap Winterswijk Miste.
 
Het plangebied staat kadastraal bekend als; gemeente Winterswijk, sectie O, nummers 201 en 202. De locatie is bekend als Haartweg 2 in Winterswijk Miste.
 
Afbeelding 2.1 wordt de ligging van het plangebied weergegeven (bron risicokaart.nl)
 
 
Afbeelding 2.2 de precieze begrenzing.(bron Ruimtelijkeplannen.nl)
 
Het plangebied is gevestigd binnen het oude hoevelandschap waar van vroeger uit de agrarische activiteiten zijn gevestigd.
 
Op dit moment is er ten behoeve van het bedrijf 650 m² aan bedrijfsgebouwen aanwezig. Dit is weergegeven op de onderstaande luchtfoto.
 
 
Afbeelding 2.3 Huidige bebouwing op het perceel
 
De uitbreiding van het bedrijf wordt gerealiseerd binnen het bestaande bestemmingsvlak voor horeca, ten noorden en westen van de bestaande bebouwing.  
  

3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Vanuit het Rijksbeleid geldt de Nota Ruimte. De Nota Ruimte bevat het nationaal ruimtelijk beleid van de Nederlandse overheid. De Nota is op 13 maart 2012 vervangen door de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).
 
In de nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten zij de komende jaren wil investeren en op welke manier de bestaande infrastructuur beter kan worden benut. Provincies en gemeentes krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.
 
Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. Er is nu te vaak sprake van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik. Daarom brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven) en laat het meer over aan gemeenten en provincies (‘decentraal, tenzij…’). Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudigere regelgeving. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Het plan is getoetst aan het geldende provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

3.1.2 Nationaal waterplan 2009-2015

Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland en heeft de status van een structuurvisie. Water krijgt een meer prominente rol bij de inrichting van Nederland. Het doel van het beleid is om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan bestaat uit verschillende aspecten. Het richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en andere vormen van gebruik van water. Er is beleid in opgenomen voor het IJsselmeergebied, het Noordzeebeleid en de Stroomgebiedbeheerplannen op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water. Daarnaast bevat het Nationaal Waterplan, naar aanleiding van het advies van de Deltacomissie in 2008, beleid over de maatregelen die genomen moeten worden voor de verwachte klimaatveranderingen. Binnen de waterparagraaf is waterbeleid uitgewerkt.

3.1.3 Ecologische hoofdstructuur

Het project ligt op ruim 25 meter van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS is het samenhangende stelsel van natuurgebieden en andere terreinen met natuurwaarden dat de biodiversiteit in Nederland duurzaam moet veiligstellen. De provincie beschermt met name de 'kernkwaliteiten' van de ecologische hoofdstructuur.
 
De ontwikkelingsopgaven van de gehele EHS zijn:
  • het ontwikkelen van nieuwe natuur;
  • het realiseren van agrarisch natuurbeheer;
  • het realiseren van ecologische verbindingszones;
  • het realiseren van robuuste verbindingen en poorten.
 
Voor de omgeving van het project gaat het met name om de bescherming en ontwikkeling van de ecologische hoofdstructuren.
 
Afbeelding 3.1 uitsnede ecologische hoofdstructuur. (bron prov Gelderland)
 
Conclusie
Het voorgenomen initiatief tast de kernkwaliteiten van de ecologische hoofdstructuur niet aan. De uitbreiding van het restaurant heeft geen negatieve gevolgen voor de ecologische hoofdstructuur.

3.2 Regionaal en provinciaal beleid

3.2.1 Streekplan 2005

De provincie heeft haar ruimtelijk beleid vastgelegd in het Streekplan Gelderland 2005. Het is in september 2005 van kracht en geldt nog steeds. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening per 1 juli 2008 heeft het streekplan Gelderland 2005 de status van structuurvisie gekregen. Dat betekent dat de inhoud van het streekplan voor de provincie de basis blijft voor haar eigen optreden in de ruimtelijke ordening. Het streekplan verdeelt Gelderland ruwweg in drie soorten gebieden. Voor elk van deze gebieden is het beleid verschillend. Hier heeft de provincie geen eigen belangen geformuleerd. Het staat gemeenten vrij hier zelf het ruimtelijk beleid bepalen. Wel wil de provincie dat gemeenten rekening houden met waardevolle landschappen in deze gebieden.
 
Het streekplan is na 2005 aangevuld met een aantal uitwerkingen, bijvoorbeeld van de kernkwaliteiten van de ecologische hoofdstructuur, van regionale waterberging en van zoekzones voor stedelijke functies (uitbreidingsruimte rond kernen). Het plangebied ligt in 'Waardevol Landschap'.
 
Uitsnede uit streekplanuitwerkingskaart, het plangebied is op de kaart aangeduid als waardevol landschap.
 
 
Afbeelding 3.2 uitsnede streekplankaart. (bron provincie Gelderland)
 
Landschap
Waardevolle landschappen zijn gebieden met (inter)nationaal en provinciaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten van visuele, aardkundige en/of cultuurhistorische aard, en in relatie daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. De “ensemble”-waarden van deze gebieden is groot, dat wil zeggen dat de samenhang tussen de verschillende landschapsaspecten groot is. Grondgebonden landbouw speelt een belangrijke rol bij het instandhouden van de landschapskwaliteiten. De waardevolle open gebieden maken onderdeel uit van de waardevolle landschappen. Tevens zijn deze vanwege hun grootschalige openheid onderdeel van het groenblauwe raamwerk en als zodanig weergegeven op de Beleidskaart. Voor de waardevolle landschappen als geheel geldt binnen de algemene voorwaarde dat de kernkwaliteiten worden behouden en/of versterkt, en bij inachtneming van het beleid voor functieverandering in het buitengebied een 'ja mits'-benadering voor het toevoegen van nieuwe bouwlocaties en andere ruimtelijke ingrepen.
 
Kernkwaliteiten Waardevolle landschappen
Voor de waardevolle landschappen als geheel geldt binnen de voorwaarde dat de kernkwaliteiten worden versterkt, en bij inachtneming van het beleid voor functieverandering in het buitengebied een 'ja, mits'- benadering voor het toevoegen van nieuwe bouwlocaties en andere ruimtelijke ingrepen. Voor zover de waardevolle landschappen deel uitmaken van het multifunctioneel gebied is de voorwaarde dat de nieuwe bebouwing past binnen de door de regio vast te stellen of reeds bepaalde zoekzones landschappelijke versterking, en dat recht wordt gedaan aan de kernkwaliteiten van de betreffende landschappen.
 
Om ruimtelijke plannen, regionale regelingen en compensatievraagstukken op (deel)gebiedsniveau te kunnen afstemmen en beoordelen, zijn de kernkwaliteiten vastgelegd in deze uitwerking van het streekplan.
 
Bij de beantwoording van de vraag of door voorgenomen activiteiten in Waardevolle landschappen de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt, spelen niet alleen de aard, omvang en locatie van de activiteit een rol, maar ook de vorm die het krijgt, zoals plaatsing en vormgeving van gebouwen en aanleg van groenstructuren. Gemeenten in hun Wro-plannen een expliciete verantwoording op te nemen van het omgaan met kernkwaliteiten. Het gaat hierbij om locatiekeuzen en ook om keuzen over inrichting van het plangebied: hoe zijn deze tot stand gekomen in relatie tot de kernkwaliteiten? Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden hoe het ontwerp tot stand is gekomen in relatie tot de omgeving van het plangebied, het plangebied zelf en karakter en omvang van de activiteit.
 
Bij het omgaan met landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten in Waardevolle landschappen zijn er drie verschillende situaties met bijbehorende hoofdafwegingen voor de beoordeling van ruimtelijke initiatieven. Onderhavig plangebied valt hierbij onder 'Waardevol landschap - geen EHS, geen Waardevol open gebied'. Voor de (delen van) Waardevolle landschappen die niet in de EHS en/of Waardevolle open gebieden liggen, geldt het 'ja, mits'-regime: activiteiten zijn toegestaan mits de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt. Dat betekent dat ontwikkelingen van allerlei aard mogelijk zijn, waarbij overigens wel geldt dat deze landschappen zich niet lenen voor grootschalige verstedelijking. Wanneer een van de in het geding zijnde kernkwaliteiten wordt aangetast, maar andere kernkwaliteiten worden versterkt en er over het geheel genomen sprake is van versterking van de kernkwaliteiten, kan dit acceptabel zijn. Bij toepassing van deze benadering kan het nodig zijn om het plangebied te vergroten om tot een acceptabele uitkomst te komen. Dat is niet het geval bij aantasting van onvervangbare en/of zeldzame kernkwaliteiten als karakteristieke openheid of sommige verkavelingspatronen. Algemene regels zijn hiervoor niet te geven en is het maatwerk dat Gedeputeerde Staten van geval tot geval zullen beoordelen.
 
Het streekplan geeft aan dat de provincie bij het omgaan met kernkwaliteiten de ontwerpende benadering wil bevorderen. De ontwerpende benadering gaat uit van een vooraf nadenken over de plek en over de inrichting ervan. In het maken van een ontwerp worden de ruimtelijke ingrepen afgestemd op de kenmerken van de omgeving. De ontwerpende benadering kent drie schaalniveaus:
  • het niveau van locatiekeuze: waar past een ontwikkeling het beste in de omgeving en op welke wijze?
  • het niveau van het terrein: situering, ontwerp en inrichting van de diverse gebruiksvormen in het terrein en ten opzichte van elkaar.
  • het niveau van de functie: de vormgeving van een object of gebruiksvorm.
De intensiteit en omvang van de ontwerpende benadering zijn afhankelijk van de aard van de ingreep en de omgeving ervan. Bestaand materiaal, zoals een actueel bestemmingsplan / LOP, kan voldoende basis zijn om tot gemotiveerde keuzes te komen. De bruikbaarheid van bestaand materiaal wordt ook bepaald door de aard en schaal van de ruimtelijke ingreep.
 
Stappenschema 'Omgaan met kernkwaliteiten Waardevolle landschappen' (invulling 'ja, mits') bij nieuwe ruimtelijke activiteiten:
Tast de activiteit op die plek de kernkwaliteiten aan?
Nee: locatiekeuze akkoord.
Ja: is het mogelijk om door aangepaste inrichting en vormgeving aantasting van de kernkwaliteiten te voorkomen?
Ja: locatiekeuze akkoord.
Nee: activiteit kan op die locatie niet plaatsvinden tenzij streekplanafwijking of -herziening.
 
Kunnen door vergroting van het plangebied en verbreding van de activiteit de kernkwaliteiten behouden of versterkt worden?
Nee: activiteit kan op die locatie niet plaatsvinden tenzij streekplanafwijking of -herziening.
Ja: vergroot plangebied en verbreed initiatief met voor kernkwaliteiten positieve elementen zodat op groter gebiedsniveau afgewogen kan worden of kernkwaliteiten worden behouden of versterkt (maatwerk op gebiedsniveau)
 
Locatiekeuze, inrichting en vormgeving krijgen hun weerslag in bestemmingen en voorschriften in het bestemmingsplan. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) kan hulpmiddel zijn bij locatiekeuze, beeldkwaliteitsplan bij inrichting en vormgeving.
 
De kernkwaliteiten van kleinschalig land van Winterswijkse beken binnen Winterswijk zijn:
  • kleinschalig landschap met afwisseling van bosjes, houtwallen, landbouwgrond, lanen, beken, boerderijen; oostelijk kleinschaliger dan westelijk;
  • rijk aan microreliëf (steilranden, essen en eenmansessen), een duidelijke terrasrand (westzijde);
  • meanderende beken, overstromingsvlaktes in laagtes;
  • fraaie, open essen en bijzondere broekgebieden;
  • historisch nederzettingspatroon vervlochten in het landschap.
 

3.2.2 Landschapsontwikkelingsplan

De 'Ja mits' benadering houdt in dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in principe mogelijk zijn indien de kernkwaliteiten van het landschap behouden of versterkt worden. 'Nee tenzij' houdt in dat bestemmingswijziging niet mogelijk is als daarmee de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Daarnaast vormt het LOP de basis voor verevening, een eis van het streekplan dat bij functieverandering van gebouwen of bij nieuwbouw een verbeterde omgevingskwaliteit en een verbetering van publieke functies van het buitengebied moeten worden gerealiseerd.
 
Het is geen nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Het betreft de uitbreiding van een bestaand bedrijf. Het betreft geen significante aantasting van het gebied. Het plan past binnen de kader van het vigerende bestemmingsplan, er is een wijzigingsbevoegdheid voor opgenomen. Daarnaast zal het er sprake zijn van landschappelijke inpassing.

3.2.3 Reconstructieplan Achterhoek en Liemers

In Gelderland zijn in 2005 reconstructieplannen opgesteld die de toekomst van het platteland vormgeven. Dat is gebeurd in drie reconstructiegebieden. Een van deze gebieden is de Achterhoek en Liemers. In delen van het landelijk gebied komen (intensieve) landbouw, wonen, werken, recreatie natuur en landschap met elkaar in aanraking. Het gevolg is dat vooral economisch belangrijke sectoren als landbouw en recreatie zich niet genoeg kunnen ontwikkelen en de kwaliteit van natuur, landschap en water te weinig verbetert. Dit heeft gevolgen voor de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland. In het reconstructieplan worden de functies opnieuw over de gebieden gereguleerd en nieuwe ontwikkelmogelijkheden gestimuleerd.
 
Volgens het Reconstructieplan is het plangebied gelegen in het verwevingsgebied. Het verwevingsgebied is gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur. Hervestiging of uitbreiding van intensieve veehouderij is mogelijk mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied het toelaten.
 
Conclusie
Het reconstructieplan richt zich in eerste instantie op verplaatsing van de intensieve veehouderij van kwetsbare natuurgebieden naar minder kwetsbare gebieden en heeft derhalve geen raakvlak met voorliggend initiatief.

3.2.4 Ruimtelijke Verordening Gelderland

Gedeputeerde Staten hebben op 15 december 2010 de Ruimtelijke Verordening Gelderland (RVG) vastgesteld. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) maakt het voor de provincie onder andere mogelijk het instrument verordening in te zetten.
 
Met een verordening kunnen Provinciale Staten regels stellen over de inhoud, toelichting of onderbouwing van bestemmingsplannen. Deze regels kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De voorschriften in de ruimtelijke verordening zijn gebaseerd op de provinciale structuurvisie (voorheen Streekplan Gelderland 2005).
In de Ruimtelijke Verordening Gelderland zijn de volgende onderwerpen opgenomen die raakvlakken hebben met het voorgenomen initiatief:
  • verstedelijking algemeen;
  • nationale landschappen.
Verstedelijking algemeen
De Ruimtelijke Verordening Gelderland schrijft over 'Verstedelijking algemeen' (artikel 2) het volgende:
  1. Nieuwe bebouwing toegestaan
In een bestemmingsplan is nieuwe bebouwing ten behoeve van wonen en werken slechts toegestaan:
  1. binnen bestaand bebouwd gebied,
  2. binnen de zoekzones bedrijventerreinen van de Stadsregio Arnhem-Nijmegen,
  3. binnen de zoekzones wonen en werken uit de Streekplanuitwerking Zoekzones stedelijke functies en landschappelijke versterking, zoals opgenomen in bijlage 8 (van de RVG),
  4.  binnen de zoekrichting woningbouw van de Stadsregio Arnhem-Nijmegen, mits 90% van de woningen wordt gebouwd in de betaalbare huur en/of koopsector, met dien verstande dat voor de gemeente Doesburg een percentage van 70% geldt.
  1. Nieuwe bebouwing onder voorwaarden toegestaan
In afwijking kan in een bestemmingsplan nieuwe bebouwing ten behoeve van wonen en werken tevens mogelijk worden gemaakt:
  1. indien de nieuwe bebouwing functioneel gebonden is aan het buitengebied;
  2. in geval van functieverandering naar een niet-agrarische functie, mits 1) sprake is van de vervanging van bestaande bebouwing, met inbegrip van bouwwerken ten behoeve van glastuinbouw, door nieuwe bebouwing welke leidt tot een substantiële vermindering van het bebouwde oppervlak, en 2) buiten de concentratiegebieden glastuinbouw en de regionale clusters glastuinbouw, en 3) in de toelichting bij een bestemmingsplan wordt aangegeven op welke manier nieuwe bebouwing landschappelijk wordt ingepast;
  3. bij oprichting van nieuwe landgoederen, mits 1) sprake is van een substantiële verbetering van in de directe omgeving aanwezige kwaliteiten van natuur, water of landschap of de recreatieve mogelijkheden van die omgeving,en 2) in de toelichting bij een bestemmingsplan wordt aangegeven op welke manier nieuwe bebouwing landschappelijk wordt ingepast;
  4. ten behoeve van uitbreiding van bestaande niet-agrarische bedrijvigheid tot een maximum van 20% van het bebouwd oppervlak, met dien verstande dat de maximale bedrijfsoppervlakte na uitbreiding niet groter is dan 375m², waarbij een grotere uitbreiding kan worden toegestaan, indien deze uitbreiding in overeenstemming is met een door Gedeputeerde Staten geaccordeerd regionaal beleidskader.
  1. Nieuwe bebouwing in zoekzones landschappelijke versterking, wonen in lage dichtheden en bij kleine kernen. In afwijking kan in een bestemmingsplan nieuwe bebouwing tevens mogelijk worden gemaakt in het kader van de invulling van de zoekzones landschappelijke versterking, de zoekzones wonen in lage dichtheden en bij kleine kernen, mits voldaan wordt aan het bepaalde in de Streekplanuitwerking Zoekzones stedelijke functies en landschappelijke versterking, zoals opgenomen in bijlage 8 (van de RVG).
In de toelichting op 'Verstedelijking algemeen' staat het volgende:
Slechts een beperkt deel kan daarbuiten plaatsvinden. Naast functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing, waaronder in ieder geval agrarische bebouwing, bebouwing voor recreatie, voor natuurbeheer, voor waterbeheer, voor veiligheid en hulpdiensten of voor de levering van gas, water of elektriciteit wordt verstaan, kan het ook gaan om functieverandering bij vrijkomende agrarische gebouwen, herbestemming van kazernegebouwen of gebouwen van zorginstellingen en de oprichting van nieuwe landgoederen.
 
In het geval van nieuwe bebouwing in het kader van functieverandering kan voor de maatvoering en specifieke voorwaarden ten aanzien van het bepaalde in artikel 2.3 onder b worden aangesloten bij het bepaalde in paragraaf 2.3 van de structuurvisie en de volgende als uitwerking hiervan door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale beleidskader voor de regio Achterhoek: “Functies zoeken plaatsen zoeken functies”.
 
Conclusie
Het beoogde plan voldoet aan het gestelde in de RVG. Hierdoor is het plan niet strijdig met de uitgangspunten zoals geformuleerd in de Ruimtelijke Verordening Gelderland. Het betreft immers de uitbreiding van een bestaand niet-agrarisch bedrijf op basis van een goedgekeurd beleidskader.

3.2.5 Nationale landschappen

Het nationale landschap is in deze gelijk aan het waardevolle landschap. Om te ontwikkelingsmogelijkheden te bepalen is de Streekplan uitwerking kernkwaliteiten waardevolle landschappen, vastgesteld op 16 mei 2006 door de Gedeputeerde Staten geraadpleegd. In deze streekplanuitwerking wordt een onderscheid gemaakt tussen ligging in een de groenblauwe mantel en het multifunctioneel gebied. Het plangebied is gelegen in het multifunctioneel gebied.
 
In het multifunctioneel gebied geldt het ja, mits principe: activiteiten zijn toegestaan mits de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt. Dat betekent dat ontwikkelingen van allerlei aard mogelijk zijn, waarbij overigens wel geldt dat deze landschappen zich niet lenen voor grootschalige verstedelijking.Wanneer een van de in het geding zijnde kernkwaliteiten wordt aangetast, maar andere kernkwaliteiten worden versterkt, en er over het geheel genomen sprake is van versterking van de kernkwaliteiten, kan dit acceptabel zijn. Bij toepassing van deze benadering kan het nodig zijn om het plangebied te vergroten om tot een acceptabele uitkomst te kunnen komen. Dat is niet het geval bij aantasting van onvervangbare en/of zeldzame kernkwaliteiten als karakteristieke openheid of sommige verkavelingspatronen. Algemene regels zijn hiervoor niet te geven: het is maatwerk dat GS van geval tot geval zullen beoordelen.
 
Het plangebied is gelegen in het waardevolle landschap ‘Kleinschalig land van Winterswijkse beken’. De kernkwaliteiten van het gebied zijn:
  • kleinschalig landschap met afwisseling van bosjes, houtwallen, landbouwgrond, lanen, beken, boerderijen; oostelijk kleinschaliger dan westelijk;
  • rijk aan microreliëf (steilranden, essen en eenmansessen), een duidelijke terrasrand (westzijde);
  • meanderende beken, overstromingsvlaktes in laagtes;
  • fraaie, open essen en bijzondere broekgebieden;
  • historisch nederzettingspatroon vervlochten in het landschap.
In het waardevollge gebied is een verder onderscheid gemaakt in deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied 3. Zie ook de onderstaande figuur.
 
 
Afbeelding 3.3 Huidige bebouwing op het perceel
 

3.2.6 Conclusie

In deze subparagraaf wordt onderhavig plan getoetst aan voornoemd provinciaal beleid.
 
Het verkavelingspatroon rondom het plangebied is kleinschalig, waarbij de kavels en wegen grillig gevormd zijn, en er sprake is van een afwisseling van landbouwgronden, kleine beplantings-elementen en bossen. Dit patroon wordt door dit plan niet aangepast. De ontwikkeling, de uitbreiding van het restaurant, vindt plaats binnen een bestaand kavel, welke reeds in gebruik is ten behoeve van het restaurant. Van een aantasting van deze waarde is geen sprake. De kleinschaligheid van het landschap blijft behouden, door de ontwikkeling. Ook zal er door deze relatief kleinschalige ontwikkeling geen aantasting zijn van het halfopen karakter.
 
Het plangebied ligt op de overgang van het hogere oostelijke deel van het waardevolle landschap en het lagere westelijke deel. Deze overgang wordt niet aangetast door deze ontwikkeling. De ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaande perceel en er vinden geen grote ingrepen in de bodem plaats. Bovendien is plek van de serre vergraven voor de aanleg van de verharding van het reeds aanwezige terras. Het reliëf zal niet worden aangetast. Verder is het plangebied niet gelegen op een es. Binnen het plangebied is geen sprake van microreliëf. Deze waarde wordt niet aangetast.
 
Ten westen van het plangebied loopt een beek. Rondom deze beek is sprake van lager gelegen gronden. Het plangebied bevindt zich op de overgang van de lager gelegen gronden naar de hogere gronden ten oosten. Hierdoor is er geen sprake van een aantasting van de lager gelegen overstromingsvlaktes en de meanderende beek.
 
Het plangebied is niet gelegen binnen een es, waardoor er geen sprake is van aantasting van deze waarde. Verder blijkt uit het voorgaande dat er geen sprake is van de aantasting van het broeklandschap (lager gelegen gronden welke in het verleden regelmatig overstroomden).
 
Tot slot zal het plan van geen aantasting betekenen van het historische nederzettingenpatroon, zoals dat vervlochten is in het landschap. De ontwikkeling blijkt immers beperkt tot binnen het perceel dat reeds in gebruikt is voor het aanwezige restaurant.
 
Geconcludeerd wordt dat dit initiatief voor de genoemde kernkwaliteiten dusdanig veel positieve elementen bevat en dat er duidelijk sprake is van een versterking van de aanwezige kernkwaliteiten is. Het plan voldoet hiermee aan de provinciale 'ja mits'-benadering. Een streekplanafwijking of -herziening is ten behoeve van dit plan dan ook niet nodig.

In deze paragraaf is het voorgenomen initiatief getoetst aan de provinciale verordening, waaruit blijkt dat het hieraan voldoet.
 

4 Milieu-Aspecten

4.1 Waterparagraaf

Op grond van het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) dient in de toelichting afzonderlijk te worden aangegeven welke de gevolgen voor het plan zijn voor de waterhuishouding.
 
De Haartweg is aangesloten op de drukriolering. Het plan betreft een uitbreiding van een bestaand restaurant. Het toegestane verhard oppervlak wordt vergroot. De vergroting is echter dusdanig gering, dat het plan voor de waterhuishouding geen negatieve effecten heeft. Hieronder vindt u een tabel met de verschillende waterthema's.
 
Thema   Toetsvraag   Relevant   Intensiteit#  
Veiligheid
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?  
Nee

Nee  
2

2  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m³/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
2
1
1  
Wateroverlast (oppervlakte-water)
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m²?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m²?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?  
Nee
Nee

Nee
Ja  
2
1


1
1  
Oppervlakte-
waterkwaliteit  
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?   Nee
1  
Grondwater-
overlast  
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
3. Is in het plangebied sprake van kwel?
4. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?
5. Beoogt het plan aanleg van drainage?  
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee  
1
1
1
1  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?   Nee   1  
Inrichting en beheer   1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Ja
Nee  
1

2  
Volksgezondheid
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee



Nee  
1



1  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee
Nee
Ja
Nee  
2
2
1
1  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee   1  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?  
Nee  

2  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee   1  
 
De uitgangspunten genoemd in de notitie "2009 Duurzaam en veilig water in de stad (afkoppelbeslisboom)" van het Waterschap Rijn & IJssel wordt aangehouden.
 
Bij plannen met een toename van het verhard oppervlak kleiner dan 500 m² hoeft in principe geen infiltratie/berging gerealiseerd te worden. Het hemelwater kan rechtstreeks op sloot worden aangesloten.
 
Bij plannen tot 2500 m² verhard oppervlak kan in overleg 20 mm statische berging als uitgangspunt genomen worden. Deze berging moet worden gerealiseerd op of nabij het betreffende perceel. De berging kan in de vorm van een greppel of poel worden aangelegd.
 
Bij plannen groter dan 2500 m² moeten buien tot 40 mm (T=10+10%) vertraagd worden afgevoerd richting het watersysteem. De afvoer uit de retentievoorziening is maximaal de landelijke afvoer, deze wordt door middel van een knijpconstructie bereikt. (Gedurende bui T=10+10% is dit gemiddeld 1,5 maal de maatgevende afvoer van het bruto oppervlak van het plangebied.) De knijpconstructie wordt zo ontworpen dat buien tot 40 mm (T=10+10%) vertraagd worden afgevoerd richting het watersysteem.
 
Het initiatief valt onder de eerste categorie. De toenamen van de verharding is minder dan 500 m². Van een noodzaak tot compensatie is geen sprake.
 
Ten oosten van het plangebied, aan de overzijde van de Haartweg, is een watergang gelegen welke in onderhoud is bij het waterschap. De ontwikkeling vindt plaat buiten de kern- en beschermingszone van de watergang. Het onderhoud van de watergang zal niet belemmerd worden door de uitvoer van het plan.
 
Het perceel is aangesloten op de drukriolering. Het als gevolg van de uitbreiding vrijkomende huishoudelijk afvalwater moet op het drukrioleringssysteem worden aangesloten. De capaciteit is voldoende voor de afvoer van het afvalwater. 
 
 Uit het voorOverleg Waterschap zal moeten blijken of het Waterschap in kan stemmen met de voorgenomen ontwikkeling.

4.2 Cultuurhistorische en archeologische waarden

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn, zodat waar nodig die waarden kunnen worden veiliggesteld en/of het initiatief kan worden aangepast.

4.2.1 Cultuurhistorie

Binnen het plangebied komen geen monumenten voor. Hiervoor is de gemeentelijke monumentenlijst, waarop zowel de gemeentelijke als de
rijksmonumenten
staan, geraadpleegd. 
 
Verder is de cultuurhistorische
waardenkaart
van de provincie Gelderland bestudeerd. Op deze kaart zijn geen waarden aangetroffen voor zowel binnen als rondom het plangebied.
 
De uitvoer van het plan heeft geen negatieve gevolgen voor cultuurhistorische waarden in de gemeente
Winterswijk
.

4.2.2 Archeologie

De gemeente Winterswijk heeft haar beleid ten aanzien archeologie vastgelegd in haar Erfgoedverordening gemeente Winterswijk 2010 met bijbehorende archeologische beleidskaart. Het beleid uit de Erfgoedverordering is vertaald in het bestemmingsplan Buitengebied, waar dit plan een wijziging van is.
 
Volgens de Erfgoedverordening is het plangebied gedeeltelijk gelegen in een gebied met een zeer hoge archeologische verwachting en gedeeltelijke gelegen in een gebieden met een hoge archeologische verwachting. In het bestemmingsplan zijn aan deze verwachtingswaarde de volgende regelingen gekoppeld:
 
Zeer hoge archeologische verwachting (Waarde-Archeologische verwachting 1):
  • bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ten behoeve van het oprichten van een bouwwerk groter dan 50 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
 
Hoge archeologische verwachting (Waarde-Archeologische verwachting 2):
  • bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ten behoeve van het oprichten van een bouwwerk groter dan 100 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
  
De ontwikkeling op het perceel vindt plaats binnen het gedeelte van het plangebied waarvoor een zeer hoge archeologische verwachting geldt. Dit betekent dat er een onderzoek overlegd moet worden waarin de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate is vastgesteld. 
 
Het belang van de bescherming van de archeologische waarden zal met name in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning worden veiliggesteld. Met de initiatiefnemer is overeengekomen dat er aan van de vaststelling van dit bestemmingsplan de voorwaarde wordt verbonden dat er een gekwalificeerd archeologisch bureauonderzoek en een programma van eisen moet zijn overlegd, waarna bij de uitvoering van de vergunning archeologische begeleiding aanwezig zal worden opgelegd.

4.3 Verkeer en parkeren

 

4.3.1 Parkeren

 
Na de uitbreiding van de horecafunctie op het perceel is binnen het plangebied voorzien in 30 parkeerplaatsen. Dit aantal parkeerplaatsenis in overleg tussen de initiatiefnemer en de gemeente tot stand gekomen. Het aantal van 30 parkeerplaatsen wordt voldoende geacht om overlast naar de omgeving te voorkomen.
 
De 30 parkeerplaatsen zullen op eigen terrein worden aangelegd. Om deze parkeerplaatsen aan te kunnen leggen is grond aangekocht van de gemeente Winterswijk.

4.3.2 Verkeer

 
De wegen rondom het plangebied hebben een voldoende capaciteit om de relatief geringe verkeerstoename als gevolg van de uitbreiding op te kunnen vangen. Overlast naar de omgeving wordt niet verwacht.

4.4 Riolering en overige nutsvoorzieningen

Het bestaande restaurant is voor het afvalwater op het bestaande dwa aangesloten. Voor wat betreft hemelwater, zal dit in de directe omgeving wordt geïnfiltreerd in het omliggende groen en bij een overschot op de bestaande watergangen.  Een bergingsvoorzieining is niet aan de orde.
 
Alle gangbare nutsvoorzieningen zijn aanwezig op de Haartweg. De uitbreiding van het restaurant heeft niet tot gevolg dat er nieuwe aansluitingen aangelegd hoeven te worden. Er zijn geen belemmeringen ten aanzien van
transportleidingenen andere tracés.
 
Conclusie
De riolering en het overige nutsvoorzieningentracé vormgen geen belemmeringen voor de bouwplannen.
 

4.5 Geluid

De Wet geluidhinder bevat geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Voor nieuwe bouwlocaties geldt een onderzoeksplichtindien ze zijn gelegen binnen zones als bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder.
 
Onderhavige ontwikkeling, de uitbreiding van een bestaande horecavoorziening, zijnde een restaurant, is gelegen binnen twee onderzoekszone, één van een weg en één van een spoorweg. Tevens is de ontwikkeling geprojecteerd binnen een in het bestemmingsplan Buitengebied als 'geluidzone-spoor'. Binnen de geluidszone- spoor mag geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht worden.
 
Echter, een restaurant is in het kader van een Wet geluidhinder niet aan te merken al zijnde aan geluidsgevoelig object. Om deze reden is het niet noodzakelijk om een onderzoek uit te voeren naar de
geluidsbelasting op de uitbreiding van het restaurant.
 
Conclusie
Aangezien een horecavoorziening (restaurant) niet aangemerkt wordt als een geluidsgevoelig object, is een aanvullend akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting op de uitbreiding niet noodzakelijk. Om dezelfde reden is er geen verder onderzoek noodzakelijk naar de ligging in de geluidszone-spoor in het kader van het bestemmingsplan.

4.6 Bodem

De functie van de gronden wijzigt niet met dit plan. Het is en blijft een horeca functie. De toekomstige serre wordt op dit moment als gebruikt als terras.
 
Aangezien de functie van de gronden niet wijzigt, is een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem niet noodzakelijk en kan het plan doorgang vinden.

4.7 Geur

Bij het voorbereiden en opstellen van een ruimtelijk plan moet onder andere het aspect geurhinder worden beoordeeld. Enerzijds moet er beoordeeld worden of ter plaatse een goed woon- en verblijfsklimaat kan worden gegarandeerd, anderzijds mogen de belangen van omliggende bedrijven en derden niet onevenredig worden geschaad.
 
In de omgeving van het restaurant zijn enkele agrarische bedrijven gelegen. De afstand tussen deze agrarische bedrijven en het plangebied bedraagt meer dan 50 meter. Aan de wettelijke afstand tussen een agrarische bedrijf en een geurgevoelig object wordt voldaan.
 
Echter, niet alleen de vaste afstand geldt. Er zal ook gekeken moeten worden er op sprake is van agrarische bedrijven waar dieren met een geuremissiefactor gehouden kunnen worden. Het vigerende bestemmingsplan maakt de vestiging van een intensieve veehouderij op alle agrarische bouwvlakken mogelijk. Deze bedrijf kunnen echter niet in het belangen geschaad worden door de met de wijzigingsplan voorgestane ontwikkeling. De reden hiervoor is tweeledig. Ten eerst vindt de ontwikkeling plaats binnen het bestaande bestemmingsvlak voor horeca. In het kader van het vigerende bestemmingsplan mag er binnen het gehele bestemmingsvlak horeca gebouwd worden. Vanuit de ruimtelijke orderingmoet om deze reden gemeten worden of voldaan wordt aan de geurwetgeving/geurverorderingop de rand van het bestemmingsvlak. Aanzien het bestemmingsvlak gelijk blijft, zijn er geen gevolgen voor in de omgeving aanwezige agrarische bedrijven.
 
Ten tweede zijn er tussen het agrarische bedrijf en de horeca bestemming zijn andere geurgevoelige objecten gelegen welke eerder een beperking vormen voor de uitbreidingsmogelijkheden van het agrarische bedrijf.
 
Met de uitbreiding van het restaurant is spake van een uitbreiding van een geurgevoelig object. Om het restaurant uit te kunnen breiden zal sprake moeten zijn van een goed woon- en leefklimaat. Om het woon- en leefklimaat te bepalen zal de achtergrondbelasting in kaart gebracht moeten worden.
 
In 2010 heeft de gemeente Winterswijk haar geurverordening vastgesteld. In deze geurverodening is het huidige en het maximale scenario voor de achtergrondbelasting doorgerekend. Ten opzichte van de berekende situatie zijn in de omgeving geen nieuwe vergunningen voor veehouderijen verleend. De destijds uitgevoerde berekening is voor dit plan nog steeds actueel.
 
Uit deze doorberekening blijkt dat er in de huidige situatie sprake is van een acceptabel geurniveau voor de kom. dit betekent dat de geurbelasting in de huidige situatie tussen de 0 en 6 odeurunits per m³ bedraagt. In het buitengebied mag de geurbelasting maximaal 28 odeurunits per m³ bedragen. Zie ook de onderstaande tabel.
 
Tabel 4.1 Acceptabel geurniveau uit Geurverordening Winterswijk 
 
Verder is in het geurbeleid scenario doorgerekend waarin de geurbelasting maximaal toeneemt. Zelfs in dit maximale scenario is er nog sprake van een acceptabel geurniveau voor het buitengebied. Zie ook de onderstaande figuur.
 
 
Afbeelding 4.1 uitsnede kaart maximaal scenario Geurverordening Winterswijk
 
Conclusie
On basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de voorgestane ontwikkeling geen belemmeringen geeft voor de agrarische bedrijven in de omgeving. Tevens is ter plaatse van de ontwikkeling sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat, ook bij het maximale doorgerekende scenario uit de geurverordening van de gemeente Winterswijk.
   

4.8 Flora- en Fauna

De gronden waarop de ontwikkeling plaatsvinden worden van maart tot en met oktober intensief gebruikt ten behoeve van de horecafunctie. De gronden zijn namelijk in gebruik als terras bij het restaurant en als opslagloods voor de activiteiten bij het restaurant. De aangrenzende gronden worden gebruikt als partytuin. Dit maakt dat er op dit moment binnen het plangebied sprake is van een veelvuldige en langdurige menselijke verstoring van het gebied. Het gedeelte van het plangebied waar de serre gerealiseerd wordt is reeds verhard. Dit maakt het plangebied op dit moment als niet geschikt als leefgebied voor beschermde soorten. Lokaal zullen eventueel voorkomene niet specifiek beschermde diersoorten (ratten, konijnen, duiven) uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. De omgeving kenmerkt zich door het landelijke karakter. De te verliezen biotoop bestaat uit verhard terras en grasland. Voor eventuele aanwezige soorten is in de omgeving is voldoende vervangende biotoop aanwezig.
 
 
Afbeelding 4.2 Huidige bebouwing op het perceel
 
Met de voorgenomen activiteit kan er sprake zijn van lokale en tijdelijke effecten, met name in de aanlegfase. Om de risico’s op verstoring van beschermde soorten in het plangebied te minimaliseren, wordt aanbevolen om voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein te controleren op de aanwezigheid van beschermde soorten. Eventueel aangetroffen soorten dienen verplaatst te worden naar een geschikt leefgebied in de omgeving.
Voor soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht en voor alle overige beschermde soorten geldt een algemene zorgplicht volgens de Flora- en faunawet. Hierbij moeten passende maatregelen worden genomen om schade aan de beschermde soorten te voorkomen en te beperken. Het plaatsvinden van werkzaamheden buiten het broed- en voortplantingsseizoen valt hieronder. Volgens de wetgeving geldt dat werkzaamheden buiten het broedseizoen moeten worden uitgevoerd.
 
Concluderend kan gesteld worden dat onderhavig plan geen negatieve gevolgen heeft voor de natuurwaarden in de omgeving.

5 Planbeschrijving

Het voorliggende bestemmingsplan ziet toe op een uitbreiding van een bestaande horecafunctie in het buitengebied. De uitbreiding behelst de realisatie van een serre en de sloop en vergrote herbouw van een  kapschuur.
 
De serre zal vast aan het bestaande restaurant worden gerealiseerd, en wel aan de noordoostzijde. Op deze plek is op dit moment het terras bij het restaurant. Door op deze plek een serre te realiseren kan er ook in de winter gebruik gemaakt van worden. Op de onderstaande afbeelding is de huidige situatie weergegeven. De serre zal op de plek van de luifels aan de lange zijde van het gebouw gerealiseerd worden.
 
 
Afbeelding 5.1 huidige situatie op het perceel   
 
De te vervangen kapschuur is economisch afgeschreven. De vormgeving van de kapschuur zal aansluiten bij de bestaande bebouwing op de locatie.
 
De huidige bedrijfsgebouwen op het perceel hebben een oppervlakte van 650 m². De maximale uitbreiding van bebouwing op het perceel is, volgens de wijzigingsbevoegdheid, 26,5% van de aanwezig bebouwing. De maximale uitbreidingsmogelijkheid van de bedrijfsgebouwen bedraagt hiermee 172,2 m². Na uitbreiding mag binnen het plangebied 822,2 m² aan bedrijfsgebouwen aanwezig zijn.
 
De uitbreiding van het bebouwing bedraagt 119,3 m² voor de serre en 13,3 m² voor de kaploods. De huidige loods welke aanwezig is binnen het perceel heeft een omvang van 40 m². De totale oppervlakte van de kaploods bedraagt 53,3 m². De uitbreiding in bebouwing bedraagt aldus 132,2 m². Dit blijft onder de grens van 172,2 m² aan uitbreiding. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
 
De nieuwe situatie op het perceel wordt zoals onderstaande figuur. Op deze figuur, welke ook als bijlage bij de toelichting is opgenomen, staan de oppervlakte van de verschillende bouwwerken opgenomen.
 
 
Afbeelding 5.2 toekomstige situatie op het perceel
  

6 Juridisch bestuurlijke aspecten

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het project betreft een volledig particulier initiatief. Voor dit project is een anterieure overeenkomst gesloten, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

6.2 Inspraak en vooroverleg

Er hoeft geen vooroverleg plaats te vinden omdat het een wijzigingsprocedure betreft. Het ontwerpplan zal direct naar de overlegpartners worden gezonden.
 
Gedurende de inzage termijn van het ontwerp bestemmingsplan zijn er ...... zienswijzen ingediend. Ten aanzien van de ingediende zienswijzen is besloten op grond van de aangedragen motivering deze zienswijzen on/ gegrond te verklaren. Het wijzigingsplan is als bijlage bij het plan gevoegd.

6.3 Verantwoording regels

 
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er wordt uitgegaan van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig kan worden toegestaan. De bestaande situatie is hierbij het uitgangspunt.
 
Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.
In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.
 
Horeca
De bouwvlakken die in gebruik zijn c.q. in gebruik worden genomen voor horecadoeleinden zijn bestemd voor 'horeca'. Binnen het bouwvlak zijn de bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning (met eventuele aan- en uitbouwen) ook toegestaan. Binnen de bestemming 'Horeca' zijn horeca, bedrijfswoningen en evenementen toegestaan.
 
De inhoud van bedrijfswoningen mag maximaal 750 m³ bedragen. De oppervlakte aan bijgebouwen per bouwvlak mag maximaal 150 m² bedragen.
 
Voor de begripsbepaling van behorende bouwwerken is aangesloten bij het Besluit omgevingsvergunningvrije bouwwerken. Een aan- of uitbouw is een aan een woning aangebouwd gebouw, dat in directe verbinding met de woning staat. Een bijgebouw is een bij een woning behorend gebouw dat niet in directe verbinding met de woning staat en dat, indien het vrijstaat van de woning, niet voor bewoning is bestemd. De toevoeging dat een vrijstaand bijgebouw niet voor bewoning is bestemd, dient om de (meestal ongewenste) situatie te voorkomen dat er geheel los van de woning in bijgebouwen wordt gewoond en zo (bijvoorbeeld de achtertuin) zelfstandige, aparte woonruimten of woningen kunnen ontstaan.
 
Hoofdregel is dat als het een aangebouwd gebouw is van één bouwlaag, dat is gekoppeld aan de hoofdbouwmassa, het wordt gezien als bijgebouw. Dit dient dan te worden meegeteld bij de toegestane 150 m². Als het aangebouwde gebouw ook een tweede verdieping kent, die vanuit de bedrijfswoning toegankelijk is (bijvoorbeeld een extra slaapkamer boven de garage), dan wordt deze aanbouw gezien als hoofdbouwmassa en telt dus mee bij de toegestane 750 m³.
 
Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2
 
De gebieden met een zeer hoge, hoge, middelmatige en lage archeologische verwachtingswaarde zijn bestemd als ‘Waarde - Archeologische verwachting 1 tot en met 2’. Deze gebieden worden eveneens beschermd door middel van een verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoek bij de aanvraag van omgevingsvergunningen voor het bouwen en andere omgevingsvergunningen waarbij sprake is van bodemverstoringen.
 
Het oppervlaktecriterium, waarboven archeologisch onderzoek noodzakelijk is, verschilt per gebied. Het volgende geldt in de bestemming:
  • Waarde - Archeologische verwachting 1 (gebieden met een zeer hoge verwachtingswaarde): onderzoeksplicht vanaf 50 m² bij omgevingsvergunning voor het bouwen en bij een aanlegactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is als de bodemverstoring groter is dan 50 m² en dieper reikt dan 0,30 m minus het bestaande maaiveld;
  • Waarde - Archeologische verwachting 2 (gebieden met een hoge verwachtingswaarde en conserverend dek van meer dan 50 cm: onderzoeksplicht vanaf 100 m² bij omgevingsvergunning voor het bouwen en bij een aanlegactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is als de bodemverstoring groter is dan 100 m² en dieper reikt dan 0,40 m minus het bestaande maaiveld;